Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT8348
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning verblijfsvergunning. Weigering om terug te komen van eerdere besluiten.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/5703 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ‘s-Gravenhage op 8 september 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 mei 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.E.M. Later, advocaat te ’s-Gravenhage en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A.W.G. Determan, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Appellant, van Turkse nationaliteit, is naar eigen zeggen op 17 januari 1989 in Nederland gaan wonen. Op 17 januari 1995 heeft appellant voor de eerste maal om een vergunning tot verblijf verzocht, welk verzoek is afgewezen. Uiteindelijk is op 1 februari 1999 alsnog aan appellant een verblijfsvergunning verleend.

Bij besluit van 20 mei 1999, heeft gedaagde afwijzend beslist op het namens appellant gedane verzoek om de drie besluiten van gedaagde, gedateerd 12 en 13 november 1997 en 28 april 1998, te herzien. Bij besluit van 4 februari 2004, het bestreden besluit, heeft gedaagde het besluit van 20 mei 1999 in bezwaar gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die een verzoek om herziening kunnen rechtvaardigen. Uit de op 1 februari 1999 alsnog verleende verblijfsvergunning valt volgens de rechtbank niet af te leiden dat appellant ook daarvóór niet uitzetbaar was. Gedaagde heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook kunnen volstaan met te verwijzen naar het besluit van 20 mei 1999.

In hoger beroep heeft appellant dit oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en overweegt als volgt.

Vaststaat dat het hoger beroep een verzoek om herziening betreft van een drietal in rechte onaantastbare besluiten, welke onaantastbaarheid bij uitspraak van deze Raad op 29 oktober 2003 is vastgesteld.

Zoals de Raad eerder te kennen heeft gegeven in zijn jurisprudentie zoals die vanaf oktober 2003 is gaan gelden is, ingeval sprake is van toetsing van besluiten die een weigering inhouden terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit, geen plaats voor een volle toetsing. De toetsing zoals door de rechtbank verricht, is met dit standpunt in overeenstemming te achten.
In hoger beroep en ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant opnieuw benadrukt dat het gegeven, dat aan appellant met ingang van 1 februari 1999 een verblijfsvergunning is toegekend, naar haar mening moet betekenen dat het verblijf van appellant in Nederland steeds rechtmatig is geweest. Die opvatting berust naar het oordeel van de Raad op een onjuiste interpretatie van de reikwijdte van een dergelijke vergunning en kan dan ook niet worden onderschreven.

In reactie op hetgeen ter zitting namens appellant naar voren is gebracht omtrent de omstandigheid dat hij ten gevolge van zijn gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal tijdens het verhoor bij de IND niet alle relevante gegevens naar voren zou hebben gebracht alsmede dat appellant de drie betreffende besluiten niet tijdig zou hebben ontvangen als gevolg van de wisselende verblijfsadressen in verband met zijn illegaliteit, merkt de Raad op dat deze omstandigheden niet zijn aan te merken als nieuwe feiten of omstandigheden als hierboven bedoeld nu deze omstandigheden reeds destijds naar voren gebracht hadden kunnen worden.

De Raad onderschrijft niet dat gedaagde de onderzoeksplicht ten aanzien van de verblijfsstatus heeft geschonden.

Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2005.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) P. Boer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x