Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT8358
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering. Niet aanvaarden van passende arbeid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/6105 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht onder nummer SBR 02/2499, op 30 oktober 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 april 2005, waar appellant is verschenen, terwijl gedaagde zich, met bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellant, geboren in 1957, was per 25 december 2000 in het genot van een WW-uitkering. Na een beŽindiging in verband met een werkhervatting en een vakantie, is die uitkering per 13 augustus 2001 heropend. Appellant heeft op 11 april 2002 een sollicitatiegesprek gevoerd bij [de werkgever] (hierna: [de werkgever], of: werkgever) nabij Schiphol. Naar aanleiding daarvan heeft [de werkgever] appellant bij brief van 25 april 2002 de functie van CAD-tekenaar aangeboden voor een periode van zes maanden tegen een bruto salaris van Ä 2.250,-- per maand en waarbij voor het overige de betreffende CAO van toepassing zou zijn. Appellant heeft deze functie niet geaccepteerd.
Naar aanleiding daarvan heeft gedaagde bij besluit van 7 juni 2002 de WW-uitkering blijvend geheel geweigerd per 6 mei 2002. De daartegen gerichte bezwaren heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 28 oktober 2002 ongegrond verklaard. Appellant is verweten dat hij heeft nagelaten passende arbeid te aanvaarden en daardoor de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, onder 2, van de WW niet is nagekomen, ingevolge welke bepaling een werknemer dient te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos is of blijft doordat hij nalaat passende arbeid te aanvaarden.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de aangeboden functie in overeenstemming met de opleiding en ervaring van appellant was, terwijl ook het bijbehorende salaris passend was. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant zich in onvoldoende mate had ingespannen om duidelijkheid te verkrijgen over de eventuele inrichting van een thuiswerkplek en de financiŽle consequenties daarvan.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij het aanbod van [de werkgever] heeft afgeslagen omdat er slechts een zeer gering verschil bestond tussen het door hem bij [de werkgever] te verdienen salaris en zijn uitkering en omdat onvoldoende duidelijk was of hij thuis zou moeten werken en, zo ja voor wiens rekening de kosten van het thuiswerken waren. Ter zitting heeft appellant hieraan toegevoegd dat vanwege de onduidelijkheden geen sprake is geweest van een werkaanbod en heeft hij tenslotte gesteld dat de opgelegde maatregel onevenredig was in relatie tot de lengte van het door [de werkgever] aangeboden dienstverband en heeft hij betoogd dat de gehele weigering zich niet verder kon uitstrekken dan die lengte.

De Raad overweegt als volgt.

Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brief van [de werkgever] aan appellant van 25 april 2002 voldoende concreet was om als een werkaanbod te kunnen worden gezien. De Raad is voorts van oordeel dat de aangeboden functie bij [de werkgever] passend was, gelet op de opleiding en ervaring van appellant. Mede gelet op hetgeen appellant in de periode van 10 april 2001 tot 23 juli 2001 bij Pro Plant Engineering B.V. verdiende, ziet de Raad voorts geen aanleiding om te concluderen dat het bij [de werkgever] aangeboden salaris niet passend was. Dat dat salaris slechts enkele euroís hoger was dan de door appellant ontvangen uitkering kan de Raad uit de voorhanden zijnde stukken niet afleiden. De Raad onderkent dat er nog onduidelijkheden bestonden ten aanzien van het thuiswerken en de verdeling van de in dat verband door appellant te maken kosten, maar zoals appellant ook ter zitting heeft erkend, stonden die onduidelijkheden er niet aan in de weg dat hij een aanvang met de werkzaamheden kon maken, mede gelet op het feit dat het in de rede lag dat, indien de werkgever op een later moment van appellant zou verlangen dat hij thuiswerkzaamheden zou gaan verrichten, de werkgever daartegenover ook een passende onkostenvergoeding zou verstrekken. Gedaagde heeft dan ook terecht een maatregel opgelegd ter zake van het door appellant niet nakomen van de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, onder 2, van de WW neergelegde verplichting.
Onder verwijzing naar de ondubbelzinnige tekst van artikel 27, tweede lid, van de WW en naar vaste jurisprudentie van de Raad (zie daarvoor onder meer CRvB 24 januari 2001, LJN AB0449, USZ 2001/74, RSV 2001/93 en CRvB 12 maart 2003, 00/4215 WW, LJN AL1591, RSV 2003/142) is de Raad van oordeel dat er geen mogelijkheid is om de opgelegde maatregel in de door appellant bepleite zin te beperken tot de duur van de door [de werkgever] aangeboden arbeidsovereenkomst.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

Beslist dient derhalve te worden als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S. líAmi als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) S. líAmi.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x