Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT8361
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning WW-uitkering. Vaststelling van het dagloon.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1235 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 24 december 2002 heeft appellant de bezwaren van gedaagde tegen zijn besluit van 26 september 2002, waarbij aan gedaagde ingaande 3 juni 2002 een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) is toegekend, in zoverre gegrond verklaard dat daarbij het gemiddeld aantal arbeidsuren als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WW is vastgesteld op 19,69 en het dagloon waarnaar de uitkering wordt berekend, op € 41,27.

Tegen dit besluit heeft gedaagde beroep ingesteld.

Bij besluit van 9 oktober 2003 heeft appellant zijn besluit van 24 december 2002 in die zin gewijzigd, dat daarbij het gemiddeld aantal arbeidsuren is vastgesteld op 18,92 en het dagloon op € 46,84.

Bij besluit van 20 oktober 2003 heeft appellant gedaagde ingaande 3 juni 2002 een uitkering krachtens de WW toegekend, gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 18,92 en berekend naar een dagloon van € 46,84.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 27 januari 2004, registratienummer 03/337, het beroep van gedaagde tegen het besluit van 24 december 2002 gegrond verklaard, het beroep van gedaagde tegen het besluit van 20 oktober 2003 eveneens gegrond verklaard, laatstvermeld besluit vernietigd, bepaald dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde dient te nemen, en dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het door gedaagde betaalde griffierecht vergoedt.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 19 mei 2004 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 14 juni 2004, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 maart 2005, waar voor appellant is verschenen mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde niet is verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad overweegt allereerst het volgende.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van gedaagde tegen het besluit van 24 december 2002 op grond van het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het besluit van 20 oktober 2003. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat, nu bij laatstvermeld besluit het besluit van 24 december 2002 op alle onderdelen is gewijzigd, het beroep tegen dat besluit gegrond dient te worden verklaard.

De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat de brief van 20 oktober 2003 geen besluit bevat in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waar die herhaling van de beslissing van 9 oktober 2003 niet op rechtsgevolg is gericht. De rechtbank had het beroep van gedaagde mede gericht moeten achten tegen het besluit van 9 oktober 2003, nu hierbij het besluit van 24 december 2002 is gewijzigd. Tevens had de rechtbank gedaagde niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn beroep tegen het besluit van 24 december 2002, nu gedaagde bij een beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit geen belang meer had.

De aangevallen uitspraak kan dan ook in zoverre niet in stand blijven.

Aangezien de Raad geen termen aanwezig acht om op die grond de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, is met inachtneming van het hiervoor overwogene in hoger beroep aan de orde de vraag of het besluit van 9 oktober 2003 in rechte stand kan houden. Daarbij is in het bijzonder aan de orde de vraag of appellant op een juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 10 van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Dagloonregels IWS).
In zijn aanvullend beroepschrift heeft appellant de wijze waarop hij het dagloon van de aan gedaagde toegekende uitkering krachtens de WW als volgt uiteengezet:

“De evenredige vermindering wordt geregeld in artikel 10 van de Dagloonregels IWS. Artikel 10 van de Dagloonregels IWS bepaalt dat het dagloon evenredig dient te worden verlaagd onder andere indien de werknemer die anders dan ingevolge een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd of onbetaald verlof, gemiddeld een geringer dan het normale aantal uren per week werkzaam is geweest.
[Gedaagde] was sinds 1 mei 1998 werkzaam bij Randstad Transportdiensten Randstad speciale uitzending bv. De normale werktijd in het beroepsgoederenvervoer bedraagt 160 diensturen per periode van 4 weken. Per week bedraagt de normale werktijd derhalve 40 uren.
[Gedaagde] heeft echter 18,92 uur per week gewerkt en is dientengevolge gemiddeld in een geringer aantal uren dan het normale aantal uren per week werkzaam geweest.
Ingevolge artikel 10 van de Dagloonregels IWS dient het dagloon van de heer Sauer dan ook evenredig te worden verlaagd.
In artikel 10 van de Dagloonregels IWS wordt niet aangegeven op welke wijze de evenredige vermindering dient plaats te vinden.
In artikel 10 aanhef van de Dagloonregels IWS wordt voor de evenredige verlaging van het dagloon een koppeling gelegd met artikel 16 lid 2 WW. Hierin wordt onder andere bepaald dat voor de berekening van het arbeidsurenverlies uitgegaan wordt van het gemiddeld aantal arbeidsuren (gaa). Gelet hierop ligt het voor de hand om bij de evenredige vermindering van het dagloon een verband te leggen met het gemiddeld aantal arbeidsuren. De evenredige vermindering wordt dan afgeleid van het arbeidspatroon van de 26 weken voorafgaand aan het arbeidsurenverlies.
Naast het gaa is hierbij ook van belang het gemiddeld aantal dagloonuren (gadu). Het gadu wordt berekend door de optelling van alle uren, die voor de dagloonberekening zijn meegenomen, te delen door het totaal van alle dagen waarin uren liggen die voor de dagloonberekening zijn meegenomen. Voor vaststelling van het gemiddeld aantal dagloonuren per week wordt dit resultaat vervolgens vermenigvuldigd met 5.
Op grond van bovenstaande overwegingen is als volgt uitvoering gegeven aan artikel 10 van de Dagloonregels IWS.
[gedaagde] heeft een gemiddeld aantal arbeidsuren (gaa) van 18,92 uur per week. Hij heeft een gemiddeld aantal dagloonuren van 42,03 uur per week.
Het gemiddeld aantal dagloonuren is als volgt vastgesteld:
(Aantal uren gebruikt voor de dagloonberekening: aantal dagen waarop is gewerkt, of daaraan gelijk te stellen) x 5 dagen.
De evenredige verminderingsfactor wordt dan: 18,92 (gaa) : 42,03 (gadu) = 0,45
Het definitieve dagloon wordt vastgesteld door de evenredige verminderingsfactor toe te passen op het (voorlopige) dagloon.
In onderhavige zaak levert dit het volgende dagloon op:
€ 104,06 x 0,45 = € 46,84
Wij menen dat uit de uitspraak van uw Raad van 22 mei 1991, gepubliceerd in RSV 1991/239, blijkt dat de Raad deze wijze van uitvoering geven aan het bepaalde in artikel 10 van de Dagloonregels IWS heeft geaccepteerd.
Met voornoemde uitspraak wordt ons inziens ondersteund dat indien het dagloon evenredig verlaagd dient te worden, het dagloon vermenigvuldigd wordt met de evenredige verminderingsfactor, te weten het gemiddeld aantal arbeidsuren gedeeld door het gemiddeld aantal dagloonuren.
Het is niet juist om die uitkomst vervolgens weer van het dagloon af te trekken.”

De Raad kan zich verenigen met deze uiteenzetting. Hij acht geen grond aanwezig om deze wijze van evenredige vermindering in strijd te achten met artikel 10 van de Dagloonregels IWS. In reactie op hetgeen gedaagde in zijn verweerschrift heeft gesteld - zulks in navolging van de rechtbank - overweegt de Raad dat appellant bij zijn besluit van 9 oktober 2003 niet gehouden was een bij zijn besluit van 24 december 2002 gemaakte fout wederom te maken.

Uit het vorenstaande volgt dat de Raad de in hoger beroep aan de orde zijnde vraag bevestigend beantwoordt. De Raad zal onder vernietiging van de aangevallen uitspraak doen, hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak:
Verklaart gedaagde niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen het besluit van 24 december 2002:
Verklaart het beroep van gedaagde tegen het besluit van 9 oktober 2003 ongegrond;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door gedaagde in eerste aanleg betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2005.

(get). R.C. Schoemaker.

(get). M Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x