Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT8826
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Korting op de WW-uitkering. De maatregel is gebaseerd op de overweging dat appellante voorafgaande aan haar werkloosheid niet heeft gesolliciteerd.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/4584 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, op de in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem op 13 juli 2004, reg. nr. 04-366 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 maart 2005 heeft de gemachtigde van appellante nog enige stukken in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van 30 maart 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Rooij voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen, werkzaam bij het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellante is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 april 2003 tot 30 september 2003 gemiddeld 32 uur per week werkzaam geweest als medewerker bediening bij restaurant [naam restaurant] te [vestigingsplaats]. Bij brief van (vrijdag) 26 september 2003 heeft de werkgever appellante doen weten de arbeidsovereenkomst niet te zullen verlengen. Op 27 september 2003 heeft appellante een arbeidsovereenkomst met de werkgever ondertekend, waarbij zij ingaande 1 oktober 2003 op afroepbasis minimaal 4 uren per week werkzaam zal zijn. Op (maandag) 29 september 2003 heeft appellante zich gemeld bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) en heeft zij een werkloosheidsuitkering aangevraagd. Op 1 oktober 2003 heeft appellante gesolliciteerd bij [naam werkgever].

Bij besluit van 12 november 2003 heeft gedaagde appellante een uitkering ingevolge de WW toegekend met ingang van 1 oktober 2003, uitgaande van een arbeidsurenverlies van gemiddeld 32 per week. Bij dat besluit is voorts de uitkering met ingang van die datum gekort met 20% gedurende 16 weken. Deze maatregel is gebaseerd op de overweging dat appellante voorafgaande aan haar werkloosheid niet heeft gesolliciteerd. Dit besluit is gehandhaafd bij het bestreden besluit van 13 februari 2004.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, op grond van een aantal door haar genoemde omstandigheden, de vraag ontkennend beantwoord of appellante in de periode voorafgaand aan 1 oktober 2003 de verplichting is nagekomen die op haar rust ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, welke verplichting inhoudt dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen.

De Raad overweegt het volgende.

Blijkens het bestreden besluit, zoals toegelicht ter zitting van de Raad, wordt appellante verweten dat zij na de mededeling van de werkgever d.d. 26 september 2003 dat het dienstverband na 30 september 2003 niet zou worden verlengd, geen concrete sollicitaties heeft verricht. De inschrijving als werkzoekende merkt gedaagde niet aan als een dergelijke sollicitatie. Daarin kan de Raad gedaagde volgen. De Raad stelt echter ook vast dat er tussen bedoelde mededeling van de werkgever en de eerste werkloosheidsdag vier kalenderdagen zijn gelegen en dat twee van die dagen in het weekend vielen, waardoor, onder meer in verband met de beperkte openingstijden van uitzendbureaus en de sluiting van de CWI’s de mogelijkheid om werkgevers te benaderen geringer moeten worden ingeschat dan op een doordeweekse dag. Daarbij is het de Raad niet ontgaan dat appellante in de eerste plaats is aangewezen op werk in de horeca waar werken in het weekend en de avonduren immers tot het normale arbeidspatroon behoort, maar daarmee is niet meteen gegeven dat solliciteren in het weekend zonder meer voor de hand ligt. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, waaronder ook het gegeven dat appellante per 1 oktober 2003 op basis van een arbeidsovereenkomst voor minimaal 4 uur per week als oproepkracht bij dezelfde werkgever bleef werken, moet naar het oordeel van de Raad worden geconcludeerd dat gedaagde appellante ten onrechte verwijt in de periode na 26 september 2003 tot 1 oktober 2003 geen concrete sollicitaties te hebben verricht. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat bij het bestreden besluit ten onrechte is aangenomen dat het voorschrift van artikel 24, eerste lid, onder b, ten eerste, van de WW is geschonden.

Op grond van het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. De Raad acht tevens termen aanwezig het primaire besluit met betrekking tot de opgelegde maatregel te herroepen.

Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in beide instanties, welke worden begroot op € 644,-- aan kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg en een gelijk bedrag in hoger beroep, totaal derhalve € 1288,--.

Beslist wordt als hierna is aangegeven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Herroept het besluit van 12 november 2003 voor zover betrekking hebbend op de opgelegde maatregel;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, begroot op € 1288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beide instanties betaalde recht van totaal € 139,-- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P.W.J. Hospel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x