Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT9016
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Overname van de betalingsverplichtingen van de voormalige werkgever wegens faillissement. Is er sprake van overgang van onderneming door de nieuwe werkgever?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/5855 WW 02/5856 WW, 02/5857 WW, 02/5859 WW, 02/5861 WW, 02/5862 WW, 02/5863 WW, 02/5864 WW, 02/5865 WW en 02/5866 WW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde 1], wonende te [woonplaats],
[gedaagde 2], wonende te Boskoop,
[gedaagde 3], wonende te Boskoop,
[gedaagde 4], wonende te Alpen aan den Rijn,
[gedaagde 5], wonende te [woonplaats],
[gedaagde 6], wonende te [woonplaats],
[gedaagde 7], wonende te Koudekerk aan den Rijn,
[geboortedatum 8], wonende te [woonplaats],
[gedaagde 9], wonende te [woonplaats],
[gedaagde 10], wonende te [woonplaats], gedaagden.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen door de rechtbank Ďs-Gravenhage, onder de kenmerken Awb 01/4206 WW, 01/4205 WW, 01/4195 WW, 01/3900 WW, 01/4239 WW, 01/4238 WW, 01/4241 WW, 01/4246 WW, 01/4244 WW en 01/4245 WW op 21 oktober 2002 gewezen uitspraken, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagden hebben een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 18 mei 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.A. Meijs, werkzaam bij het Uwv. Gedaagden zijn niet verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat de in deze gedingen aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Gedaagden waren werkzaam bij Stichting Alphacare Thuiszorg te Alphen aan den Rijn (hierna: Alphacare). Op 22 september 2000 is Alphacare failliet verklaard. Op die datum heeft de curator ontslag aangezegd aan gedaagden. Gedaagden zijn in dienst getreden bij Stichting Thuiszorg Groot Rijnland (hierna: Groot Rijnland). Groot Rijnland heeft thuiszorgactiviteiten van Alphacare voortgezet.

Gedaagden hebben bij appellant aanvragen ingediend om overneming van betalings-verplichtingen van Alphacare onder toepassing van hoofdstuk IV van de WW. Appellant heeft deze aanvragen afgewezen, op de grond dat voor de datum van het faillissement overgang van onderneming van Alphacare naar Groot Rijnland heeft plaats gevonden, zodat gedaagden Groot Rijnland dienden aan te spreken voor de achterstallige loonbetaling. In bezwaar heeft appellant dit standpunt gehandhaafd.

De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard. De rechtbank heeft in haar uitspraken overwogen dat geen sprake is van overgang van onderneming, omdat de zorg niet uitsluitend is overgegaan naar Groot Rijnland, maar naar een aantal zorginstellingen. Bovendien dateren de arbeidsovereenkomsten niet van vůůr 22 september 2000, zodat feitelijk geen medewerkers voor datum faillissement zijn overgegaan naar Groot Rijnland. Voorts is niet gebleken dat er met betrekking tot een eventuele overgang van onderneming een overeenkomst als bedoeld in artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek is afgesloten. Daarbij komt dat uiteindelijk maar een relatief klein aantal werknemers in dienst is getreden bij Groot Rijnland. Dit is volgens de rechtbank onvoldoende om te stellen dat sprake is van overgang van onderneming.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat blijkens de brief van de curator van 22 september 2000 alle zorg vůůr de datum van het faillissement van Alphacare is overgedragen aan Groot Rijnland. Voorts is ook een groot deel van de voormalige medewerkers daar naar overgegaan en zijn zij dezelfde werkzaamheden blijven uitoefenen. De werkwijze en het karakter van de functie is ongewijzigd voortgezet bij Groot Rijnland. De identiteit van Alphacare is dan ook behouden en ingebed in de bestaande organisatie van Groot Rijnland. Van belang daarbij is dat de zorgtaken nimmer stil hebben gelegen, zodat sprake is van overgang van onderneming.

De Raad overweegt als volgt.

In deze gedingen is dan ook in het bijzonder de vraag aan de orde of appellant terecht de overneming van de loonbetalingen ingevolge hoofdstuk IV van de WW heeft geweigerd op de grond dat sprake is van overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Raad wordt het in strijd met de regeling van hoofdstuk IV van de WW geacht om in geval van betalingsonmacht van een werkgever overname van betalingsverplichtingen te vragen indien de betrokken werknemers de mogelijkheid hebben gehad om op betrekkelijk eenvoudige wijze van een kredietwaardige derde-verkrijger betaling te verlangen van hetgeen de betalingsonmachtige werkgever hen schuldig is gebleven. Appellant stelt zich op het standpunt dat gesproken moet worden van overgang van onderneming op grond waarvan gedaagden hun loonvordering met succes bij Groot Rijnland kunnen indienen.

Om aan te kunnen nemen dat sprake is van overgang van onderneming is het van belang dat de identiteit van de onderneming die wordt overgenomen of een deel daarvan bewaard is gebleven. Daarbij is niet voldoende dat de oude en overnemende onderneming vergelijkbare activiteiten verrichten. Bepalend is ook de personeelssamenstelling, de leiding, de taakverdeling, de bedrijfsvoering en in voorkomend geval de beschikbare productiemiddelen. Ook als in de sector de middelen nagenoeg alleen worden gevormd door arbeidskrachten die duurzaam een gemeenschappelijke identiteit vormen, blijft na overgang de identiteit bestaan als de overnemer niet alleen de activiteit voortzet maar ook een wezenlijk deel - qua aard en deskundigheid - van het personeel overneemt dat zijn voorganger speciaal voor de taak had ingezet.
Uit de stukken blijkt dat Groot Rijnland de zorgverplichting ten aanzien van de thuiszorgpatiŽnten van Alphacare heeft overgenomen. Bovendien is gebleken dat gedaagden, nadat zij bij Groot Rijnland in dienst zijn getreden, in ieder geval de eerste maanden na de overgang op dezelfde wijze werkzaam waren als bij Alphacare en in beginsel hun eigen patiŽnten hebben behouden. De Raad is met appellant van oordeel dat daarmee de identiteit van het thuiszorgonderdeel van Alphacare is behouden en is ingebed in de bestaande organisatie van Groot Rijnland.

Voorts is er blijkens de stukken vůůr de datum van het faillissement contact geweest tussen Alphacare en Groot Rijnland terzake van de mogelijke indiensttreding van het personeel en het mogelijk overstappen van patiŽnten van Alphacare naar Groot Rijnland. Daarin ziet de Raad evenals appellant voldoende steun voor het oordeel dat, hoewel een expliciet daartoe strekkende schriftelijke overeenkomst ontbreekt, voorafgaande aan de datum van het faillissement overeenstemming is bereikt terzake van de overgang, zodat geoordeeld moet worden dat deze heeft plaatsgevonden in het kader van enige contractuele relatie.

Naar het oordeel van de Raad staat daarmee voldoende vast dat voorafgaand aan het faillissement overgang van onderneming heeft plaatsgevonden. De Raad ontleent daarvoor mede steun aan het in hoger beroep door het Gerechtshof ís-Gravenhage bevestigde vonnis van de kantonrechter van 15 april 2003, waarin deze, beslissend in een loongeschil tussen acht van de tien gedaagden en Groot Rijnland, eveneens heeft geoordeeld dat sprake is van overgang van onderneming en Groot Rijnland heeft veroordeeld tot betaling van achterstallig loon en eindejaarsuitkering. Dat dit vonnis slechts ziet op acht van de tien gedaagden doet daar niet aan af.

Gezien hetgeen de Raad heeft overwogen met betrekking tot de overgang van een deel van Alphacare naar Groot Rijnland ziet de Raad geen grond voor de conclusie dat gedaagden niet op betrekkelijk eenvoudige wijze betaling hadden kunnen verkrijgen van de overnemer, zodat appellant terecht heeft geweigerd uitkeringen op grond van hoofdstuk IV van de WW te verlenen.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraken dienen te worden vernietigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;
Verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x