Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT9068
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het niet willen betalen van griffierecht.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/37 WW




U I T S P R A A K




met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. INLEIDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar op 22 december 2004, registratienummer WW 04/859, tussen partijen gegeven uitspraak.




II. MOTIVERING


In artikel 22 van de Beroepswet is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven.

Bij schrijven van 25 januari 2005 is appellant erop gewezen dat hij een griffierecht van
€ 102,-- is verschuldigd, bij voorkeur te voldoen door middel van de aangehechte acceptgirokaart.

Bij schrijven van 26 januari 2005 geeft appellant onder meer aan dat hij de kosten van het beroep nooit gaat overmaken.
Bij bovenvermeld schrijven doet appellant voorts het schrijven van 25 januari 2005 retour komen met daarop geschreven “vervallen”.

De Raad verzoekt bij schrijven van 1 februari 2005 appellant mede te delen of hij met het schrijven van 30 december 2004 beoogd heeft hoger beroep in te stellen. Tevens is hierbij gewezen, mocht appellant toch de bedoeling hebben hoger beroep in te stellen, op de verschuldigdheid van een griffierecht van € 102,-- waarvan geen vrijstelling of vermindering mogelijk is.
Hierop reageert appellant bij schrijven van 2 februari 2005 mede de mededeling dat hij in beroep gaat tegen eerder vermelde uitspraak en hiervoor niet opnieuw griffierecht gaat betalen.

Bij aangetekende brief van 4 maart 2005 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is hem meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.

Bij schrijven van 7 maart 2005 geeft appellant wederom aan geen griffierecht te zullen voldoen.

De Raad stelt vast dat het griffierecht niet is betaald.

Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest, acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van R.E. Koerts als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) R.E. Koerts.




Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x