Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT9069
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Beroep niet-ontvankelijk. Niet betalen van het griffierecht. Er is niet aangetoond dat er sprake is van financiŽle onmacht.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/6167 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 3 november 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 04/1540 WW (hierna: de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 mei 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door J.S. Laarakker, en waar gedaagde zich - met bericht - niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant het griffierecht niet - binnen de gestelde termijn - heeft betaald, terwijl niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan appellant redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
De Raad wijst er allereerst op dat, anders dan door appellant wellicht wordt verondersteld, in hoger beroep slechts de vraag aan de orde kan komen of appellant tijdig het griffierecht heeft betaald en of de rechtbank in dat verband het beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat het voor hem niet mogelijk is geweest om eerder het griffierecht te betalen in verband met een financieel nijpende situatie. Ter zitting van de Raad heeft appellant deze financieel nijpende situatie en de overige omstandigheden waarin hij destijds verkeerde mondeling nader toegelicht.

De Raad is van oordeel dat hetgeen is aangevoerd niet tot de conclusie kan leiden dat redelijkerwijs niet kan worden gezegd dat appellant niet in verzuim is geweest, nu de, niet met schriftelijke gegevens, onderbouwde stelling dat er niet over inkomen werd beschikt hiervoor niet toereikend is.
Daarbij merkt de Raad op voor dit oordeel te meer aanleiding te zien, nu appellant in het geheel niet heeft gereageerd op de brieven van de rechtbank d.dis 19 juli en 25 augustus 2004, niet ter zitting van de rechtbank d.d. 29 oktober 2004 is verschenen en eerst in hoger beroep een beroep doet op zijn financiŽle onmacht. Dat appellant ten tijde in geding bij de rechtbank in moeilijke privťomstandigheden verkeerde, zoals appellant ter zitting van de Raad nog heeft aangegeven, kan hieraan niet af doen.

Gelet hierop komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2005.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) P. Boer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x