Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT9985
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering van de WW-uitkering op de grond dat appellante niet verzekerd is voor die wet nu appellante niet beschikt over een geldige verblijfstitel in de zin van de Vreemdelingenwet.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5638 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 oktober 2003, nr. AWB 03/274 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 april 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A. El Kadi, juridisch adviseur te Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door G.M. Folkers-Hooijmans, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW), de Vreemdelingenwet (Vw) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellante, van Marokkaanse nationaliteit, heeft van 1 augustus 1999 tot 1 juli 2001 op arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gewerkt voor de [werkgeefster] in de functie van teamassistent in het verpleeghuis [naam verpleeghuis]. Met ingang van 1 juli 2001 is haar dienstverband beëindigd, omdat haar verblijfsvergunning niet was verlengd en de procedure daarover nog steeds niet was afgerond.
Bij besluit van 10 september 2001 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat zij per 1 juli 2001 geen recht heeft op een uitkering krachtens de WW, op de grond dat zij niet verzekerd is voor die wet nu zij niet beschikt over een geldige verblijfstitel in de zin van de Vreemdelingenwet. Het tegen dit besluit gemaakt bezwaar is door gedaagde bij besluit van 18 december 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellante tegen dit besluit van 18 december 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Aan het feit dat aan appellante inmiddels een verblijfsvergunning is toegekend ingaande 10 mei 2002 en geldig tot 10 mei 2004, kan zij geen recht op een WW-uitkering ontlenen per de datum in geding, zijnde 1 juli 2001.

De Raad overweegt het volgende.

Vast staat dat appellante tengevolge van de intrekking van haar verblijfsvergunning (onder de beperking “verblijf bij echtgenoot”) per 16 augustus 1999 ten tijde hier van belang niet rechtmatig in Nederland verbleef ingevolge artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw. Gelet op het in de aangevallen uitspraak weergegeven samenstel van Nederlandse rechtsregels is appellante daarom niet aan te merken als werknemer in de zin van de WW en heeft zij op grond daarvan geen recht op een uitkering ingevolge die wet.

Ter beoordeling staat, gelet op hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, of de weigering van appellantes uitkering als strijdig met regels van internationaal of supranationaal recht kan worden bestempeld.

Evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft gedaan, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. Hij verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 26 juni 2001, LJN AB2276 en AB2324, onder meer gepubliceerd in USZ 2001/183 en 186. In die uitspraken heeft de Raad bij de toetsing van de Koppelingswet aan artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten tot uitdrukking gebracht dat het uitgangspunt van die wet wat doelstelling en gehanteerd middel betreft bij de Raad in het algemeen niet op bedenkingen stuit en dat dit ook geldt voor de categorie vreemdelingen genoemd in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw.
De Raad ziet ook geen plaats voor het oordeel dat de Koppelingswet in strijd zou zijn met het discriminatieverbod van artikel 41, eerste lid, van de voormalige Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, al aangenomen dat deze regeling van toepassing zou zijn op niet door middel van een verblijfstitel toegelaten Marokkaanse onderdanen. De Raad heeft voorts geoordeeld dat de gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving zoals deze gestalte heeft gekregen in de werknemersverzekeringen in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt.

Niet is gebleken dat appellante de procedure over haar aanvraag van 10 mei 1999 voor een verblijfsvergunning in Nederland mocht afwachten en dat zij op die grond rechtmatig in Nederland verbleef. De Raad gaat er derhalve van uit dat appellante in de periode gelegen tussen de intrekking van haar verblijfsvergunning (onder de beperking “verblijf bij echtgenoot”) op 16 augustus 1999 en het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van het zogenoemde driejarenbeleid met ingang van 10 mei 2002 niet rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Gedaagde heeft de aanvraag om een WW-uitkering van appellante per 1 juli 2001 derhalve terecht afgewezen.

De Raad is voorts van oordeel, zoals hij reeds vaker tot uitdrukking heeft gebracht, dat de omstandigheid dat premie en belasting zijn geheven op het door appellante verworven arbeidsloon, los staat van de vraag of de betrokkene verzekerd is ingevolge de bepalingen van de WW.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005.

(get.) H. Bolt.

(get.) P. Boer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x