Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU0527
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning kortdurende uitkering ingevolge hoofdstuk IIb van de WW, toegekend op basis van zestien uren per week. Er is niet voldaan aan de arbeidsverledeneis.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/216 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 3 december 2003, nr. 03/755, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij wijze van verweer volstaan met een verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Desgevraagd heeft gedaagde nog enkele stukken in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 juni 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.A.M. Staal, advocaat te Utrecht, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S. Croes, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellant is van 1 oktober 1999 tot en met 30 september 2002 werkzaam geweest bij [werkgever]. Met ingang van 3 oktober 2002 heeft hij een uitkering ingevolge de WW aangevraagd.

Bij besluit van 14 november 2002 heeft gedaagde aan appellant een kortdurende uitkering ingevolge hoofdstuk IIb van de WW toegekend op basis van 16 uren per week. Daarbij heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat appellant op 3 oktober 2002 niet voldeed aan het in artikel 17, aanhef en onder b, van de WW opgenomen vereiste dat hij in de vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen in vier kalenderjaren over tenminste 52 dagen loon heeft ontvangen.

Bij het thans in geding zijnde op bezwaar genomen besluit van 10 maart 2003 (het bestreden besluit) heeft gedaagde zijn standpunt gehandhaafd.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 10 maart 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep tussen partijen in geschil de vraag of het kalenderjaar 1999, een jaar waarin appellant slechts over 17 dagen loon heeft ontvangen en waarin overigens geen dagen zijn aan te wijzen die kunnen worden gelijkgesteld met dagen waarover loon is ontvangen, met toepassing van artikel 17b, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, zoals die bepaling sedert 1 maart 1995 luidt, moet worden gelijkgesteld met een kalenderjaar waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen. Alleen bij bevestigende beantwoording van die vraag -daar zijn partijen het over eens en daar gaat ook de Raad van uit- voldeed appellant op 3 oktober 2002 aan de arbeidsverledeneis.

In 1999 is op 5 januari de zoon van appellant geboren. Dat kind behoorde tot het huishouden van appellant en appellant verzorgde dat kind. Appellant trekt uit die gegevens de conclusie dat het kalenderjaar 1999 via het in evengenoemde bepaling geregelde verzorgingsforfait meetelt voor het arbeidsverleden van appellant.
Gedaagde is daarentegen van mening dat het jaar 1999 niet kan meetellen omdat het kind op 1 januari 1999 nog niet was geboren.

De Raad heeft op 6 januari 1998, LJN AA8789, RSV 1998/120, uitspraak gedaan met betrekking tot een bestreden besluit, waarin door het uitvoeringsorgaan op dezelfde wijze toepassing is gegeven aan artikel 17b, tweede lid, van de WW, als gedaagde in het hier aan de orde zijnde besluit heeft gedaan. De Raad heeft in die uitspraak overwogen dat, gezien de redactie, bedoelde bepaling weliswaar voor meer dan één uitleg vatbaar is, maar dat, op grond van de in die uitspraak weergegeven overwegingen, moet worden geoordeeld dat het uitvoeringsorgaan een correcte toepassing heeft gegeven aan artikel 17b, tweede lid, van de WW.

De Raad ziet geen aanleiding ten aanzien van de uitleg van voormelde bepaling thans een ander standpunt in te nemen dan is gedaan in zijn genoemde uitspraak van 6 januari 1998 en de Raad volstaat dan ook met te verwijzen naar zijn overwegingen dienaangaande in voormelde uitspraak.
De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel hebben geleid.
In hetgeen appellant heeft aangevoerd om te betogen dat in dit geval van artikel 17b, tweede lid, van de WW zou moeten worden afgeweken, ziet de Raad geen grond voor een andersluidend oordeel.

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen termen aanwezig om tot toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten over te gaan.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. Bolt, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.D.F. de Moor.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x