Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU0559
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de WW-uitkering terecht gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) van 28 per week?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/95 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem onder nummer Awb 03-621 WW op
24 november 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 juni 2005, waar appellant is verschenen bij mr. H. van Buren, medewerker bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Gedaagde is in persoon verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Gedaagde, geboren in 1956, was sinds 1 september 1998 in dienst bij [naam werkgever] (hierna: werkgever). Aanvankelijk was de omvang van het dienstverband bepaald op ten minste 24 uur per week met een maximum van 32 uur per week. Per 1 januari 2001 werkte appellante 32 uur per week.

In september 2001 is gedaagde begonnen met een makelaarsopleiding. Met het oog daarop is gedaagde in overleg met de werkgever 24 uur per week gaan werken. Met betrekking tot het salaris heeft gedaagde voorgesteld dat zij en de werkgever ieder een halve dag voor hun rekening zouden nemen. Volgens gedaagde vond de werkgever het niet nodig dat gedaagde een deel van haar salaris inleverde. Uit de studieovereenkomst d.d. 14 november 2001 blijkt niet van invulling van de arbeidsuren noch van een salarisafspraak. Feitelijk heeft de werkgever het salaris tot en met de maand december 2001 betaald naar een werkweek van 32 uur.

Op 22 januari 2002 heeft de werkgever gedaagde telefonisch te kennen gegeven dat het voornemen bestond om het dienstverband met haar te beŽindigen. In een gesprek op 25 januari 2002 heeft de werkgever dat bevestigd en toegelicht. Volgens gedaagde heeft de werkgever toen meegedeeld alsnog van gedaagdes aanbod om een halve studiedag voor haar rekening te nemen, gebruik te zullen maken. Gedaagde heeft zich na dat gesprek ziek gemeld. Het salaris is vanaf de maand januari 2002 betaald naar 28 uur.

Gedaagde en haar werkgever hebben vervolgens een aantal procedures gevoerd die er uiteindelijk toe hebben geleid dat de werkgever gedaagde, na verkregen ontslagvergunning, per 1 november 2002 heeft ontslagen. In die procedures is de afspraak omtrent de betaling van de studiedag zijdelings aan de orde gekomen; de werkgever heeft daar bestreden dat was overeengekomen dat hij een hele studiedag zou betalen.

Op 14 oktober 2002 heeft gedaagde een WW-uitkering aangevraagd. Die uitkering is haar toegekend per 1 november 2002, waarbij de uitkering is gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) van 28 per week. De daartegen gerichte bezwaren van gedaagde, die er op neer komen dat het GAA op 32 uur gesteld moet worden, heeft appellant bij het thans bestreden besluit van 13 maart 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het daartegen door gedaagde ingestelde beroep gegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank moet voor het bepalen van het GAA aansluiting worden gezocht bij het gebruikelijke arbeidspatroon voorafgaand aan de ziekte. Daarbij is volgens de rechtbank niet van belang hoeveel salaris is uitbetaald, maar hoeveel uren gedaagde zou hebben gewerkt indien zij niet ziek zou zijn geworden.

Appellant heeft dit oordeel bestreden onder verwijzing naar artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i alsmede onder a, van de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren (hierna: Regeling). Volgens appellant staat vast dat gedaagde, indien zij niet ziek zou zijn geworden, 24 uur per week zou hebben gewerkt en dat de werkgever daarnaast slechts een loon voor 4 uur studie per week heeft betaald. Dat betekent volgens appellant dat slechts 28 uur in aanmerking genomen kunnen worden.

Gedaagde heeft dit betwist en heeft er op gewezen dat het er door de drukte op het werk niet van is gekomen dat zij de vrije studiedag (volledig) kon invullen en dat het salaris op basis van 32 uur hetzelfde bleef.

De Raad overweegt als volgt.

Vaststaat dat tussen gedaagde en haar werkgever laatstelijk een werkweek van 24 uur was overeengekomen. Van belang voor de toepassing van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling is het aantal uren dat gedaagde zonder te werken loon heeft ontvangen. Dat aantal is vanaf de maand januari 2002 4 uur per week. Voor gelijkstelling met gewerkte uren komen in aanmerking het aantal uren per week dat gedaagde in de 26 weken voorafgaand aan 1 november 2002 niet heeft gewerkt wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid, dat wil zeggen 24 uur, vermeerderd met de uren waarvoor gedaagde zonder te werken loon heeft ontvangen, in casu 4 uur. Bij het bestreden besluit heeft appellant derhalve terecht het GAA op 28 uur per week gesteld.
Naar aanleiding van hetgeen gedaagde heeft aangevoerd, merkt de Raad nog op dat ook al zou de werkgever eenzijdig en zonder instemming van gedaagde het salaris per 1 januari 2002 hebben verlaagd, geconstateerd moet worden dat gedaagde uiteindelijk na de afwijzing van haar loonvordering bij vonnis in voorlopige voorziening geen loonvordering tegen de werkgever heeft ingesteld.

Het hoger beroep slaagt derhalve. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep bij de rechtbank dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslist dient derhalve te worden als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x