Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU1806
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging WW-uitkering. Omvang van de werkloosheid. Heeft betrokkene de hoedanigheid van werknemer verloren door werkzaamheden als zelfstandige te verrichten? Is er sprake van een oriŽntatieperiode?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5847 WW en 03/6026 WW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante, tevens gedaagde (hierna: appellante),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde, tevens appellant (hierna: gedaagde).




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van l januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 oktober 2003, nr. AWB 03/94 WW V05, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 25 mei 2005. Appellante is in persoon verschenen bijgestaan door mr. J. Nijenhuis, advocaat te Heerenveen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De in deze gedingen aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

De feiten, die in rubriek 3, onder 3.2., van de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.

Bij besluit van 6 november 2001 heeft gedaagde appellantes WW-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 1999 herzien. Bij besluit van 8 november 2001 heeft gedaagde van appellante teruggevorderd een bedrag van Ä 8.413,78 terzake van hetgeen op grond van de WW onverschuldigd aan appellante was betaald, over de periode van 1 maart 1999 tot en met 22 april 2001.

Bij het bestreden besluit van 26 september 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 6 november 2001 en 8 november 2001 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het besluit van 6 november 2001 heeft gedaagde herroepen, in die zin dat wordt vastgesteld dat het recht op WW-uitkering met ingang van 1 januari 2000 is geŽindigd en het besluit van 8 november 2001 is eveneens in zoverre herroepen dat van appellante is teruggevorderd een bedrag van Ä 4.631,72.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat gedaagde met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt en beslissingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten.
De rechtbank is met gedaagde van oordeel dat de activiteiten die appellante heeft verricht voor de onderneming, die met ingang van 22 januari 2000 is gedreven door de vennootschap onder firma (VOF) met de naam Westernstable Westerkwartier, waarvan appellante een der vennoten was, gezien de aard van deze werkzaamheden, beschouwd moeten worden als werkzaamheden als zelfstandige. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de gedingstukken echter niet af te leiden dat appellante over de gehele in geding zijnde periode van 1 januari 2000 tot 23 april 2001 onafgebroken gedurende 15 uur per week arbeid is blijven verrichten.

Appellante heeft in hoger beroep haar eerder ingenomen stellingen herhaald.

Zij stelt zich op het standpunt dat haar activiteiten met betrekking tot de oprichting van het manegebedrijf slechts het karakter hadden van activiteiten, verricht in het kader van een hobby, dan wel het karakter hadden van oriŽntatie op de mogelijkheden een eigen manegebedrijf te beginnen en dat deze activiteiten niet relevant zijn voor haar recht op WW-uitkering.
Gedaagde heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte heeft vernietigd op de grond dat niet is komen vast te staan dat appellante de desbetreffende werkzaamheden in een omvang van 15 uren per week heeft verricht gedurende de gehele periode van 1 januari 2000 tot 23 april 2001. Volgens gedaagde, ervan uitgaande dat appellante per maart 1999 door gedaagde alsnog een zogenoemde oriŽntatieperiode is toegestaan, heeft appellante vůůr 1 juli 1999 de hoedanigheid van werknemer verloren. Die hoedanigheid heeft appellante volgens hem nadien niet herkregen.

De Raad overweegt het volgende met betrekking tot de door appellante en gedaagde aangevoerde grieven.

De Raad sluit zich wat de aard van de door appellante verrichte werkzaamheden betreft aan bij hetgeen rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Naar het oordeel van de Raad betreft het hier activiteiten die voldoen aan het ingevolge vaste rechtspraak - zie bijvoorbeeld CRvB 22 mei 2002, LJN 5031, USZ 2002/226 - in deze geldende criterium, namelijk dat zij zijn aan te merken als arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht.

Appellantes in hoger beroep subsidiair aangevoerde grief dat de omvang van de desbetreffende werkzaamheden zo gering was, dat deze in redelijkheid niet kunnen worden beschouwd als werkzaamheden als zelfstandige faalt reeds omdat, zoals hierna zal blijken, de omvang van die werkzaamheden niet als gering kan worden beschouwd.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder a, van de WW eindigt het recht op uitkering, voorzover de betrokkene de hoedanigheid van werknemer verliest.

Voor de vraag of appellante op 1 januari 2000 nog werkloos was in de zin van de WW, onder meer omdat zij toen de hoedanigheid van werknemer had verloren, is van belang dat appellante in juli 1999 via een uitzendbureau voor maximaal 26 uren per week werk is gaan verrichten bij de gemeente Grootegast. Met ingang van 1 december 1999 heeft zij bij die gemeente een vaste aanstelling gekregen voor 26 uur per week. Appellantes recht op WW-uitkering was gebaseerd op een aantal uren van gemiddeld 40 per week. De omvang van appellantes werkloosheid bedroeg op 1 juli 1999 minimaal en met ingang van 1 december 1999 zeker 14 uren.

Appellante moet reeds vůůr 1 juli 1999 als beginnend ondernemer worden aangemerkt. Dit blijkt genoegzaam uit de gedingstukken waaruit duidelijk naar voren komt dat zij voor deze datum allerlei administratieve en andere activiteiten verrichtte voor het bedrijf, zoals het opstellen van het ondernemersplan, het bezoeken van banken en het
onderhouden van contacten met bedrijven en instellingen die voor de onderneming van belang waren.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 16 maart 1993, LJN ZB5751, RSV 1993/244) kan er bij een startende zelfstandige in beginsel van worden uitgegaan dat deze in een volledige omvang voor zijn beginnend bedrijf bezig is, tenzij concrete en duidelijke gegevens genoegzaam steun bieden voor het oordeel dat van een mindere omvang van de werkzaamheden dient te worden uitgegaan. In het geval van appellante is het naar het oordeel van de Raad genoegzaam komen vast te staan dat zij in ieder geval werkzaamheden heeft verricht in een omvang van meer dat 14 uren per week. De Raad wijst op de verklaring van appellante zelf, afgelegd tegenover gedaagdes opsporingsdienst, dat zij in het eerste gedeelte van 1999 gemiddeld 15 uur per week werkzaam is geweest voor de onderneming. De Raad heeft geen enkel aanknopingspunt gevonden dat erop wijst dat zij nadien die activiteiten in mindere mate heeft verricht. Integendeel, de (thans voormalige) echtgenoot van appellante, W. Staas, heeft tegenover de opsporingsdienst op 4 oktober 2001 verklaard dat volgens zijn schatting appellante toentertijd naast de 26 uren die zij bij de gemeente werkte een gelijk aantal uren, en waarschijnlijk nog meer, per week werkzaam was in de manege. Medevennoot J.W. Pieters is niet duidelijk en consistent in zijn verklaringen omdat hij in zijn tegenover de opsporingsdienst afgelegde verklaring zegt dat zijn echtgenote en appellante vanaf 1999 zich zeker wel 2 ŗ 3 uren per dag de hele week door hebben beziggehouden met de onderneming maar hij verklaart ook dat appellante ťťn dag per week voor de manege bezig was.

Na de oprichting van de VOF op 1 september 1999 krijgt de feitelijke totstandkoming van de manege vaste vorm en gaat de onderneming hoe langer hoe meer activiteiten ontplooien waaraan appellante naar het oordeel van de Raad blijft bijdragen. De Raad komt hoe dan ook wat betreft het hier aan de orde zijnde punt van geschil tot de slotsom dat appellante op 1 januari 2000 in zodanige omvang werkzaamheden als zelfstandige verrichtte dat het op die datum resterende recht op uitkering ingevolge de WW was geŽindigd op grond van artikel 20, eerste lid, onder a, van die wet.

Een startende zelfstandige als appellante kan, ingevolge artikel 8, tweede lid, van de WW, de hoedanigheid van werknemer binnen anderhalf jaar nadat de desbetreffende werkzaamheden zijn aangevangen herkrijgen indien aan die werkzaamheden - zoals blijkt uit vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 8 december 1992, LJN AK9784, RSV 1993/106) - geheel een einde is gekomen.

De Raad volgt gedaagde in zijn opvatting dat de gedingstukken er geenszins op wijzen dat appellante haar werkzaamheden voor de onderneming volledig heeft beŽindigd.
Naar het oordeel van de Raad is appellantes recht op uitkering ingevolge de WW dan ook terecht herzien en is zij niet tekortgedaan doordat dit recht is herzien met ingang van 1 januari 2000.
Met betrekking tot de terugvordering heeft appellante in hoger beroep aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien omdat zij mocht menen geheel conform de geldende regels te hebben gehandeld. De Raad overweegt echter dat van dringende redenen alleen sprake is, zoals de Raad meermalen heeft overwogen, als door de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiŽle consequenties voor de betrokkene optreden. Dit is ten aanzien van appellante niet het geval. Deze grief moet derhalve worden verworpen.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de door appellante in hoger beroep aangevoerde grieven geen doel treffen en dat de door gedaagde in hoger beroep aangevoerde grieven slagen.

Dit leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voorzover door gedaagde in hoger beroep aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover door gedaagde aangevochten;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van S. líAmi als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) S. líAmi.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x