Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU1821
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WW-uitkering. Terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1450 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellante heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zwolle, onder reg.nr. AWB 01/59 op 29 januari 2004 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 6 juli 2005, waar appellante niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellante ontving sedert 1 september 1996 een uitkering ingevolge de WW berekend naar een omvang van 32 uur per week. Met ingang van 12 mei 1998 is zij op basis van een arbeidsovereenkomst voor 20 uur per week gaan werken als pastoraal assistent bij de Federatie Hervormde Gemeente en Gereformeerde Kerk te Lelystad. Gedaagde heeft deze uren in mindering gebracht op het recht op WW-uitkering van appellante. Bij besluit van 21 februari 2000 is appellante meegedeeld dat als gevolg van een onjuiste codering het recht op WW-uitkering over bepaalde perioden vanaf 9 november 1998 onjuist is vastgesteld, waardoor een bedrag van f 2.874,42 teveel is uitbetaald dat door gedaagde wordt teruggevorderd.
Bij besluit van 8 december 2000 heeft gedaagde het bezwaar voor wat betreft de terugvordering gegrond verklaard en de terugvordering beperkt tot de periode van 9 november 1998 tot 7 december 1998 en de periode van 1 februari 1999 tot 1 maart 1999. Het terug te vorderen bedrag is nader vastgesteld op f 1.857,78.

De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is - samengevat - overwogen dat appellante in de perioden in geding in redelijkheid kon beseffen dat zij over de door haarzelf opgegeven uren waarin zij werkzaam was als pastoraal assistent geen recht had op een uitkering. In beide perioden heeft appellante op haar inkomensverklaring ingevuld “zie contract”, zodat gedaagde gelet op de omvang van het contract van 20 uur per week terecht is uitgegaan van 20 uur per week. Aangezien zij over deze periode volledige WW-uitkering is blijven ontvangen, had zij kunnen weten dat dit niet correct was, zodat gedaagde terecht het recht op uitkering conform het beleid heeft herzien. Gedaagde was gehouden om de teveel betaalde uitkering van appellante terug te vorderen. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is niet gebleken.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de in het contract vermelde uren van appellante. De werkzaamheden als predikant gebeuren meestal op zondag en in het weekend, waardoor er met de onregelmatigheden, in die zin dat de ene week meer wordt gewerkt dan de 20 uur en de andere week minder, geen rekening is gehouden.

De Raad overweegt als volgt.

Terzake van de herziening van het recht op WW als bedoeld in artikel 22a van de WW hanteert gedaagde het beleid, zoals verwoord in de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen. Op grond daarvan wordt de uitkering, indien het een werknemer redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte uitkering werd verstrekt, in beginsel herzien met terugwerkende kracht tot het moment waarop het de werknemer redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. Gedaagde heeft met toepassing van dit beleid de WW-uitkering van appellante over de periode van 9 november 1998 tot 7 december 1998 en de periode van 1 februari 1999 tot 1 maart 1999 herzien.

Uit de stukken blijkt dat appellante tijdens deze perioden naast haar loon een volledige WW-uitkering heeft ontvangen, terwijl zij wegens het verrichten van werkzaamheden geen recht had op een ongekorte uitkering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het appellante, mede gelet op de hoogte van het door haar ontvangen bedrag, redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de uitkering tot een te hoog bedrag werd verstrekt. Gedaagde heeft dan ook terecht de WW-uitkering van appellante conform voornoemd beleid herzien.

Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat dat gedaagde terecht het recht op uitkering heeft verminderd met de in het contract vastgestelde 20 uur per week. Uit het contract blijkt uitsluitend dat de dienstbetrekking een omvang heeft van 20 uur per week. De stelling van appellante dat gedaagde gedurende bepaalde weken van minder uren per week zou moeten uitgaan nog daargelaten dat appellante die stelling niet genoegzaam heeft onderbouwd, kan dan ook niet slagen.
Daarbij komt dat ingevolge artikel 1, eerste lid, en onder a, van de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte met gewerkte uren, de uren waarvoor de werknemer zonder te werken loon heeft ontvangen met arbeidsuren worden gelijkgesteld. Aangezien appellante volgens het contract een vast loon ontving voor haar werkzaamheden gedurende 20 uur per week, zou de omstandigheid dat zij in een bepaalde week minder uren werkt niet van invloed zijn op de omvang van de te korten uren.

Gedaagde heeft dan ook terecht het recht op WW-uitkering herzien. Gesteld noch gebleken is van dringende redenen om van herziening af te zien. Daarbij komt het de Raad voor dat appellante, nu de herziening van de WW-uitkering is beperkt tot de onderhavige twee perioden, door gedaagde geenszins tekort is gedaan.

Dit betekent dat vast staat dat appellante ten onrechte een bedrag aan WW-uitkering heeft ontvangen van f 1.857,78. Op grond van artikel 36 van de WW is gedaagde gehouden de onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellante terug te vorderen. Niet gebleken is dat er sprake is van dringende redenen op grond waarvan gedaagde van terugvordering had moeten afzien.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de uitspraak dient te worden bevestigd. Dit betekent voorts dat geen plaats is voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding omdat een dergelijk verzoek slechts in geval van gegrondverklaring van het beroep kan worden gehonoreerd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P. Boer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x