Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU1835
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De aanvraag, ingediend om de achterstallige loonbetalingen over te nemen, is afgewezen omdat de termijn van 26 weken als bedoeld in artikel 23 van de WW was verstreken.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/5524 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 18 augustus 2004, nr. WW 03/2435, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 augustus 2005, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellant was sedert 17 oktober 2001 werkzaam bij ZH Transporten op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, welke op 17 april 2002 van rechtswege is geindigd. ZH Transporten was de handelsnaam van W.C. Haak Holding BV. Deze vennootschap is op 15 mei 2002 in staat van faillissement verklaard.

Op 19 januari 2003 heeft appellant bij gedaagde een aanvraag ingediend om de achterstallige loonbetalingen van ZH Transporten over te nemen, welke aanvraag onder meer betrekking had op het loon over periode 4 van het jaar 2002.

Bij besluit van 28 januari 2003 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen op de grond dat de termijn van 26 weken als bedoeld in artikel 23 van de WW was verstreken. Bij artikel 23 van de WW is bepaald dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld over perioden gelegen vr 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is door gedaagde bij het bestreden besluit van 9 juli 2003 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat geen sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in de tweede volzin van artikel 23 van de WW op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid zou toekomen om van voornoemde regel af te wijken.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij vanaf medio januari 2002 in de veronderstelling verkeerde dat niet ZH Transporten maar ZH Scheveningen zijn werkgever was. Deze veronderstelling was gebaseerd op het feit dat appellant loonbetalingen ontving van andere bedrijven, waaronder G. de Flart BV, waarvan ZH Scheveningen de handelsnaam was, en op het verslag van een bijeenkomst van chauffeurs en kantoorpersoneel van ZH Scheveningen van 12 januari 2002, waarbij was aangekondigd dat de complete organisatie en administratie zou plaatsvinden op het kantoor van ZH te Scheveningen. Appellant heeft daarom getracht zijn loon en eindafrekening te verhalen op G. de Flart BV alsmede op ZH Transport BV en Amsstav BV, bedrijven waarvan hij eveneens loonbetalingen had ontvangen. De toenmalige gemachtigde van appellant vernam bij brief van de curator d.d. 12 februari 2003 dat deze vennootschappen inmiddels failliet waren verklaard. Op grond hiervan is appellant van mening dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan gedaagde dient af te wijken van het bepaalde in de eerste volzin van artikel 23 van de WW.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 68, tweede lid, juncto artikel 23 van de WW kan het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW niet worden vastgesteld over perioden gelegen vr 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvaag om een uitkering werd ingediend. Op grond van de tweede volzin van laatstgenoemd artikel is gedaagde bevoegd om in bijzondere gevallen hiervan af te wijken.

Tussen partijen is in hoger beroep slechts in geschil de vraag of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in de tweede volzin van artikel 23 van de WW.

Naar het oordeel van de Raad had appellant ZH Transporten kunnen aanspreken direct na het einde van het dienstverband. Met ZH Transporten had hij immers zijn arbeidsovereenkomst gesloten. Uit de stukken blijkt niet van een bedrijfsovername van ZH Transporten door ZH Scheveningen. In het verslag van de op 12 januari 2002 gehouden bijeenkomst van de chauffeurs en het kantoorpersoneel van ZH Scheveningen wordt alleen gesteld dat vanaf 12 januari 2002 de complete organisatie en administratie plaatsvindt op het kantoor van ZH te Scheveningen. ZH Transporten is dan ook de werkgever gebleven. Dat appellants loon feitelijk door andere bedrijven werd betaald doet daaraan niet af. Had appellant ZH Transporten eerder aangesproken, dan zou uit informatie van de Kamer van Koophandel zijn gebleken van het faillissement en had hij tijdig bij gedaagde een aanvraag om overname van de betalingsverplichtingen kunnen indienen. Gelet hierop kan de Raad niet concluderen tot de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden op grond waarvan gedaagde gehouden was om af te wijken van het bepaalde in de eerste volzin van artikel 23 van de WW. Weliswaar acht de Raad voorstelbaar dat bij appellant onduidelijkheid heeft bestaan over de vraag wie zijn werkgever was, maar dit had hem er niet van hoeven te weerhouden om, naast G. de Flart BV en andere bedrijven van wie hij loonbetalingen had ontvangen, k bij ZH Transporten te trachten zijn achterstallig loon en eindafrekening te verhalen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. H. Bolt als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P.W.J. Hospel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x