Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU3073
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Tussen partijen is in geschil of de jaren 1998 en 1999, gedurende welke betrokkene niet heeft gewerkt en UKW-uitkering heeft ontvangen, meetellen voor de vaststelling of betrokkene voldoet aan de zogenoemde vier-uit-vijfeis.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/524 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 12 januari 2004, nr. AWB 03/1457, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 juni 2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.H. Nuyens, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde met voorafgaand bericht niet is verschenen.




II. MOTIVERING


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2. Gedaagde heeft tot en met 8 mei 1997 bij de Koninklijke Marine gewerkt. Per 9 mei 1997 is hij met leeftijdsontslag gegaan, in verband waarmee aan hem met ingang van die datum een uitkering is toegekend op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen (UKW).

2.3. Met ingang van 7 november 2001 is gedaagde op basis van een uitzendovereenkomst voor de duur van één jaar gaan werken bij Variopak te Nijmegen. Op 28 december 2001 heeft gedaagde een bedrijfsongeval gehad. Bij besluit van 19 december 2002 heeft appellant geweigerd aan gedaagde met ingang van 27 december 2002 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen op de grond dat de mate van gedaagdes arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg. Bij besluit van dezelfde datum heeft appellant gedaagde met ingang van 27 december 2002 voor de duur van vijf jaar aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea).

2.4. Gedaagde heeft op 30 december 2002 een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend. Bij besluit van 4 februari 2003 is gedaagde met ingang van 27 december 2002 een kortdurende WW-uitkering toegekend omdat hij niet voldoet aan de in artikel 17, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW neergelegde eis dat de betrokkene aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in ten minste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per jaar loon te hebben ontvangen, de zogenoemde vier-uit-vijfeis. Dit besluit is door appellant bij besluit van 21 februari 2003 ingetrokken, omdat aan gedaagde, wegens het volgen van een omscholingscursus, ingaande 27 december 2002 een uitkering krachtens de Wet Rea was toegekend. Die uitkering is, wegens de afronding van de omscholingscursus, per 21 april 2003 beëindigd, in verband waarmee appellant bij besluit van 5 mei 2003 aan gedaagde met ingang van 21 april 2003 wederom een kortdurende WW-uitkering heeft toegekend.

2.5. Bij het thans bestreden besluit van 4 juni 2003 heeft appellant - voor zover in dit geding van belang - het bezwaar van gedaagde, voor zover dat mede gericht werd geacht tegen het besluit van 5 mei 2003, ongegrond verklaard.

2.6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van haar uitspraak. Voorts heeft de rechtbank het verzoek van gedaagde om appellant te veroordelen tot schadevergoeding afgewezen en appellant veroordeeld tot vergoeding aan gedaagde van proceskosten en tot terugbetaling van het griffierecht.

3.0. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.

3.1.1. Tussen partijen is in geschil of de jaren 1998 en 1999, gedurende welke gedaagde niet heeft gewerkt en UKW-uitkering heeft ontvangen, mee tellen voor de vaststelling of gedaagde voldoet aan de zogenoemde vier-uit-vijfeis.

3.1.2. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft geconcludeerd dat de UKW-uitkering tot het loon behoort als bedoeld in artikel 17, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Appellant heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat, indien de UKW-uitkering al vanwege de met de WW-uitkering overeenkomende aard en strekking, op gelijke voet als een WW-uitkering via artikel 11, tweede lid, van de WW tot loon kan worden bestempeld, die aard en strekking dan evenzeer meebrengen dat de UKW-uitkering moet worden beschouwd als een WW-uitkering, welke uitkering op grond van artikel 17b, zevende lid, aanhef en onder a, van de WW niet als loon wordt beschouwd, zodat de dagen waarover deze uitkering in de jaren 1998 en 1999 is ontvangen niet als loondagen kunnen worden aangemerkt.

3.1.3. Gedaagde heeft zich in verweer achter de aangevallen uitspraak gesteld en betoogd dat de UKW-uitkering niet in artikel 17b, zevende lid, aanhef en onder a, van de WW wordt uitgesloten, zodat die uitkering tot het loon behoort.

3.2. De Raad overweegt als volgt.

3.2.1. In artikel 14 van de WW wordt bepaald dat loon in de zin van die wet is het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale verzekering (CSV). Ingevolge artikel 4 van de CSV, zoals die bepaling ten tijde in geding luidde, is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten. Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de CSV, zoals die bepaling tot 1 januari 1987 luidde, behoren uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de sociale verzekeringen niet tot het loon. Met de inwerkingtreding per 1 januari 1987 van de Wet premieheffing over uitkeringen is evenwel laatstgenoemde bepaling komen te vervallen, zodat de in die bepaling neergelegde uitzondering op het begrip loon niet meer bestaat en uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de sociale verzekeringen tot het loon in de zin van de CSV behoren. In zijn, ook door de rechtbank genoemd arrest van 12 april 1995, RSV 1995, 242, heeft de Hoge Raad verwezen naar de Memorie van Toelichting bij het voorstel dat heeft geleid tot de Wet premieheffing over uitkeringen, waarin is aangegeven dat het logisch gevolg van het vervallen van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de CSV is dat ook periodieke uitkeringen die met de aard en de strekking van uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringen overeenkomen - zoals uitgezonderd in onderdeel f - niet langer uitgezonderd worden van het loonbegrip.

3.2.2. De UKW-uitkering behelst een tijdelijke uitkering, die periodiek wordt uitbetaald, en waarvan de hoogte een bepaald percentage van de laatstgenoten bezoldiging bedraagt. Gelet daarop, alsmede op hetgeen hiervoor onder 3.2.1. is overwogen, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant ten onrechte de UKW-uitkering niet heeft beschouwd als loon als bedoeld in artikel 17, aanhef en onder b, van de WW.

3.2.3. De Raad kan zich voorts niet stellen achter de grief van appellant dat de rechtbank in strijd met artikel 17b, zevende lid, aanhef en onder a, van de WW heeft beslist, en wel omdat in die bepaling wordt gesproken van een uitkering “op grond van deze wet” en naar het oordeel van de Raad onder ‘deze wet’ slechts de WW zelf moet worden begrepen.

4. Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel, zodat wordt beslist als hieronder is vermeld.

4.1. De Raad acht in verband met het vorenoverwogene termen aanwezig om appellant te veroordelen in de kosten van gedaagde in hoger beroep, welke zijn begroot op € 322,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

4.2. Ten slotte stelt de Raad op grond van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet, vast dat van appellant een griffierecht dient te worden geheven van € 414,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 414,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005.

(get.) H. Bolt.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x