Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU3986
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Bouwkundig medewerker. Bestaat er recht op WW-uitkering? Het tijdelijk oproepcontract was afgelopen vlak vóór de vakantie.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/3986 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 24 juni 2004, nr. WW 03/3391-NAV, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde nog een nader stuk toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 juni 2005, waar appellant met bericht niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Bij besluit van 7 februari 2003 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 2 december 2002 recht heeft op een WW-uitkering. Op 23 april 2003 is appellant op basis van een oproepovereenkomst voor bepaalde tijd als bouwkundig medewerker gaan werken bij Aceve Loodgieters & Installateurs B.V. te Capelle aan den IJssel (hierna Aceve). De oproepovereenkomst betrof de periode van 23 april 2003 tot en met 8 juli 2003.

2.2. Naar aanleiding van de mededeling van appellant dat hij voornemens is om van 14 juli 2003 tot en met 18 juli 2003 met vakantie te gaan, heeft gedaagde bij brief van 1 juli 2003 aan appellant meegedeeld dat de WW-uitkering in die periode volledig zal worden doorbetaald. In die brief is voorts aangegeven dat appellant een wijziging in zijn situatie onmiddellijk aan gedaagde dient door te geven, bijvoorbeeld als hij ziek wordt of weer aan het werk gaat, omdat het kan zijn dat de wijziging invloed heeft op zijn recht op WW-uitkering tijdens de vakantie. Blijkens het werkbriefje, dat betrekking heeft op de periode van 30 juni 2003 tot 27 juli 2003, heeft appellant na 8 juli 2003 nog bij Aceve gewerkt, namelijk tot en met vrijdag 11 juli 2003. Van maandag 14 juli 2003 tot en met vrijdag 18 juli 2003 is appellant met vakantie geweest. Met ingang van 21 juli 2003 heeft appellant vervolgens weer WW-uitkering ontvangen en bij besluit van 3 september 2003 heeft gedaagde te kennen gegeven dat het recht met ingang van 11 augustus 2003 is geëindigd omdat appellant per die datum weer is gaan werken.

2.3. Bij besluit van 31 juli 2003 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat appellant, volgens de vakantieregeling van de WW, tijdens vakantie alleen recht op uitkering heeft als hij bij aanvang van de vakantie recht op WW-uitkering had, hetgeen in zijn geval niet aan de orde was, zodat hij tijdens zijn vakantie geen recht op WW-uitkering heeft. Bij besluit van 31 oktober 2003 (hierna het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 juli 2003 ongegrond verklaard onder de overweging dat appellant in de week van 7 juli 2003 tot en met 11 juli 2003 niet werkloos was en dat appellant, omdat hij aansluitend op 14 juli 2003 met vakantie is gegaan, op 14 juli 2003 geen recht heeft op WW-uitkering omdat hij op die datum niet werkloos is geworden.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Appellant acht het bestreden besluit onbegrijpelijk en onjuist. Hij voert daartoe aan dat hij vooraf aan gedaagde heeft opgegeven dat hij van 14 juli 2003 tot en met 18 juli 2003 met vakantie zou gaan en dat gedaagde hem bij brief van 1 juli 2003 te kennen heeft gegeven dat hij met uitkering met vakantie kon. Hij acht het onjuist dat hij, nu er bij Aceve - anders dan het zich eerder liet aanzien en bij de oproepovereenkomst was afgesproken - werk voor hem was tot en met vrijdag 11 juli 2003, geen recht op uitkering heeft omdat hij tot de laatste werkdag voor zijn vakantie heeft doorgewerkt.

5. Gedaagde heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

6. De Raad overweegt het volgende.

6.1. Het standpunt van gedaagde in dit geding komt er op neer dat het bestreden besluit voortvloeit uit de toepassing van de WW, met name artikel 19, eerste lid, aanhef en onder k, van de WW, ingevolge welke bepaling de werknemer die vakantie geniet geen recht heeft op uitkering ingevolge de WW. Gedaagde heeft daartoe aangevoerd dat het recht van appellant op WW-uitkering, welk recht wegens het verrichten van arbeid op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, in verbinding met het derde lid, aanhef en onder a, van de WW op een eerder moment was geëindigd, niet op maandag 14 juli 2003 kon herleven omdat zich op die dag, gelet op artikel 19, eerste lid, aanhef en onder k, van de WW, een zogenoemde uitsluitingsgrond voordeed omdat appellant met ingang van die dag vakantie genoot. Op maandag 21 juli 2003 kon het recht op WW-uitkering naar het oordeel van gedaagde wel herleven omdat op die datum zich de genoemde uitsluitingsgrond niet meer voordeed. Naar uit het besluit van 31 juli 2003 blijkt, is gedaagde van opvatting dat het genieten van vakantie met behoud van WW-uitkering slechts mogelijk is als de werknemer bij aanvang van de vakantie recht op WW-uitkering heeft.

6.2. De Raad heeft zich in zijn rechtspraak voorheen gesteld achter de hierboven weergegeven toepassing van de WW, hoewel de Raad er niet aan voorbij zag dat die toepassing tot onbevredigende uitkomsten leidde in een geval als dat van appellant waarin de betrokkene op de dag met ingang waarvan hij in beginsel wederom werkloos is te achten in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WW, met vakantie gaat. Deze situatie is in het geval van appellant daarom onbevredigend te achten omdat appellant in overeenstemming met de strekking van de WW heeft doorgewerkt - dus werkloosheid heeft voorkomen - tot en met de laatste dag dat hem - nader - werk ter beschikking was gesteld, en hem dan vervolgens WW-uitkering wordt ontzegd ingevolge de hier bedoelde interpretatie van de desbetreffende voorschriften. Daarbij komt dat als zij wordt vergeleken met de situatie waarin appellant zou hebben verkeerd indien hij niet op 14 juli 2003 maar op de dag daarna met vakantie zou zijn gegaan, de uitkomst geheel anders zou zijn geweest omdat het recht van appellant op WW-uitkering dan per 14 juli 2003 zou zijn herleefd en appellant ingevolge de vakantieregeling met behoud van zijn uitkering vakantie zou hebben kunnen genieten.

6.3. De Raad ziet thans aanleiding dienaangaande zijn rechtspraak te herzien met betrekking tot de uitleg en toepassing van de desbetreffende bepalingen van de WW en hij overweegt daartoe het volgende.

6.3.1. Uit de parlementaire behandeling van de WW (TK 19261, vergaderjaar 1985/1986) kan niet worden afgeleid dat het de wetgever voor ogen heeft gestaan uitdrukkelijk te bepalen dat de werkloze werknemer tijdens vakantie slechts dan zijn recht op WW-uitkering behoudt indien de vakantie niet eerder aanvangt dan de dag na die waarop het recht op WW-uitkering is ontstaan of is herleefd.

6.3.2. In artikel 19, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WW is bepaald dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van de periode gedurende welke de werknemer, in afwijking van het eerste lid, onderdeel k, met behoud van zijn recht op uitkering vakantie kan genieten. Blijkens vermelde parlementaire behandeling is daarmee de mogelijkheid geopend dat bij algemeen verbindend voorschrift de uitsluiting van het recht op WW-uitkering wordt beperkt (TK 19 261, nr. 15, pag. 41). Ten tijde in dit geding van belang was van kracht de ministeriële regeling van 23 januari 1992, Stcrt. 1992, 19, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 18 november 1999 van het Landelijk instituut werknemersverzekeringen, Stcrt. 1999, 229 (hierna de Vakantieregeling 1992).

6.3.3. Uit het vorenstaande leidt de Raad af dat de in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder k, van de WW neergelegde uitsluitingsgrond zich niet voordoet indien vakantie wordt genoten voor zover die blijft binnen de duur van de periode welke op grond van artikel 19, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WW bij de Vakantieregeling 1992 is vastgesteld. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat er van uit dat de door appellant genoten vakantie van 14 juli 2003 tot en met 18 juli 2003 blijft binnen even bedoelde duur. Derhalve is de Raad van oordeel dat, nu tussen partijen niet in geschil is dat de werkzaamheden in het kader van de oproepovereenkomst op 11 juli 2003 zijn geëindigd, 14 juli 2003 moet worden aangemerkt als de dag waarop het recht van appellant op WW-uitkering herleeft, alsmede dat ten aanzien van appellant zich op die datum gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen uitsluitingsgrond voordeed.

6.3.4. De Raad is daarbij van oordeel dat uit de systematiek van de toepasselijke bepalingen voorvloeit dat in het geval een werknemer vakantie geniet welke blijft binnen de duur van de periode welke krachtens artikel 19, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WW is vastgesteld, die werknemer niet op de enkele grond dat hij vakantie geniet kan worden tegengeworpen dat hij niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden en dat hij om deze reden niet werkloos kan worden geacht met als gevolg dat hij geen recht heeft op WW-uitkering. Uit het feit dat de wetgever de mogelijkheid heeft geopend dat met behoud van uitkering vakantie wordt genoten, blijkt immers dat hij heeft gewild dat de betrokken werknemer recht op uitkering behoudt ondanks het feit dat hij niet beschikbaar voor arbeid is, nu het genieten van vakantie immers in beginsel in de weg staat aan het beschikbaar zijn voor arbeid. Een andere opvatting zou de zin aan de zogenoemde vakantieregeling ontnemen. Naar gedaagde ter zitting van de Raad heeft erkend, wordt door hem aan een werknemer die vakantie geniet niet tegengeworpen dat deze niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, noch in de situatie dat de werknemer ingevolge de Vakantieregeling 1992 vakantie geniet met behoud van uitkering, noch in de situatie dat het recht op uitkering wordt ontzegd omdat de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder k, van de WW van toepassing wordt geacht. Het voorgaande past bij de verhouding tussen de artikelen 16, eerste lid en 19, eerste lid, van de WW: zo leiden bijvoorbeeld artikel 19, eerste lid, onder a en h, van de WW tot uitsluiting van het recht op uitkering, terwijl er in die situaties wellicht soms wel van enige beschikbaarheid sprake kan zijn, en leidt het bepaalde onder k, in verbinding met de Vakantieregeling juist tot het behoud van uitkering ondanks het feit dat (soms) beschikbaarheid zal ontbreken.

6.3.5. Ten slotte overweegt de Raad dat de in artikel 19, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WW gebruikte formulering naar zijn opvatting niet meebrengt dat slechts dan met behoud van uitkering vakantie kan worden genoten indien vóór de aanvang van de vakantie recht op uitkering bestond. De formulering ‘met behoud van zijn recht op uitkering vakantie kan genieten’ verstaat de Raad aldus dat daarmee wordt bedoeld dat tijdens het genieten van de vakantie die blijft binnen de duur van de periode welke krachtens artikel 19, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WW is vastgesteld er recht op uitkering bestaat. Er is immers, zoals overwogen in 6.3.4. geen reden om aan te nemen dat de wetgever heeft beoogd om door middel van deze formulering aan degenen die aansluitend op het einde van het werk op vakantie gaan, de mogelijkheid te onthouden om gedurende enig tijd “met behoud” van uitkering op vakantie te gaan.

7. Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellant doel treft en dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd.

8. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig, daar niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Draagt gedaagde op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,-- (€ 31,-- en € 102,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. M.A. Hoogeveen en mr. H. Bolt als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x