Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW / AW
x
LJN:
x
AU4335
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling eerste dag van werkloosheid. Ingangsdatum WW-uitkering en bovenwettelijke uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/2255 WW en 04/2256 AW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde 1,
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gedaagde 2.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellant heeft mr. L. de Groot, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem, reg.nrs. AWB 03/1573 en 03/1574, op 16 maart 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagden hebben een verweerschrift ingediend.

De Stichting voor primair onderwijs Fluvius te Arnhem heeft bericht niet als belanghebbende aan de gedingen deel te nemen.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 31 augustus 2005, waar voor appellant is verschenen mr. De Groot voornoemd, terwijl gedaagden zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1957, is op 1 oktober 1999 in dienst getreden van de Stichting voor primair onderwijs Fluvius te Arnhem (hierna: de werkgever) in de functie van directeur van een basisschool. Bij beschikking van 30 september 2002 heeft de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2002 ontbonden. De kantonrechter heeft daarbij geen vergoeding toegekend.

1.2. Naar aanleiding van de aanvraag uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft gedaagde 1 bij besluit van 22 januari 2003, voorzover hier van belang, vastgesteld dat de eerste werkloosheidsdag van appellant 1 november 2002 is en dat appellant vanaf die dag recht heeft op een WW-uitkering. Bij besluit van 12 februari 2003 heeft gedaagde 2, voorzover hier van belang, beslist dat appellant eveneens per 1 november 2002 recht heeft op de zogenoemde bovenwettelijke uitkering ingevolge het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (hierna: Bbwo).

1.3. Appellant heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt en onder meer gesteld dat de eerste werkloosheidsdag 1 oktober 2002 is en dat de uitkeringen op die dag behoren in te gaan. Gedaagden hebben de bezwaren, voorzover in hoger beroep van belang, bij de thans bestreden besluiten van 2 juni 2003 ongegrond verklaard.

1.4. Gedaagde 1 heeft daartoe overwogen dat appellant recht heeft op een bovenwettelijke uitkering. Die bovenwettelijke uitkering wordt gelijkgesteld met inkomsten in verband met beŽindiging van de dienstbetrekking in de zin van artikel 16, derde lid, van de WW gedurende de gehele duur van de WW-uitkering. Dit bedrag moet volgens gedaagde 1 worden toegerekend aan de periode volgend op de datum van de beschikking tot ontbinding. Als rekening zou zijn gehouden met de geldende opzegtermijn zou de dienstbetrekking van appellant pas zijn geŽindigd met ingang van 1 november 2002. Het bedrag waarop appellant in totaal aan bovenwettelijke uitkering recht heeft, is vele malen groter dan zijn maandsalaris van de beŽindigde dienstbetrekking, om welke reden gedaagde appellant eerst per 1 november 2002 als werkloos beschouwt.

1.5. Gedaagde 2 heeft overwogen dat de bovenwettelijke uitkering dezelfde ingangsdatum heeft als de WW-uitkering. Dat betekent dat de bovenwettelijke uitkering ingaat op 1 november 2002.

2. De rechtbank heeft de tegen de bestreden besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat blijkens de wetsgeschiedenis de wetgever het begrip inkomsten in artikel 16, derde lid, van de WW zo ruim mogelijk heeft willen houden. Gelet daarop en mede in aanmerking genomen dat de uitgaven voor de Bbwo-uitkeringen voor rekening komen van de individuele instellingen waar betrokkene ontslag is verleend, was de rechtbank met gedaagde 1 van oordeel dat de bovenwettelijke uitkering dient te worden aangemerkt als inkomsten in verband met de beŽindiging van de dienstbetrekking van appellant. Dat het geen vergoeding ineens betreft, maar een bedrag per maand waarover appellant pas na het verstrijken van de fictieve opzegtermijn kan beschikken indien en voor zover hem een WW-uitkering wordt toegekend, maakt dit niet anders. De rechtbank heeft in dat verband verwezen naar de uitspraak van de Raad van 4 juni 2003, USZ 2003/227, RSV 2003/253, LJN AH8692. Aangezien tussen partijen niet was bestreden dat de dienstbetrekking, indien rekening was gehouden met de geldende opzegtermijn, zou zijn geŽindigd per 1 november 2002, hebben gedaagden naar het oordeel van de rechtbank de ingangsdatum van de WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkering terecht op 1 november 2002 gesteld.

3.1. In hoger beroep heeft appellant onder meer betoogd dat het bovenwettelijk deel van de uitkering zozeer is verbonden met de WW dat het om die reden niet kan worden aangemerkt als een vergoeding. Een verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 4 juni 2003 is niet juist omdat de zaken inhoudelijk niet met elkaar zijn te vergelijken aangezien in de genoemde uitspraak de werkgever werd veroordeeld tot betaling van een suppletie aan de werknemer. Appellant wijst er op dat de bovenwettelijke uitkering niet wordt betaald door de werkgever. Volgens appellant geeft het Bbwo geen recht op inkomsten, maar slechts een mogelijke aanspraak daarop. Appellant heeft er verder op gewezen dat een bovenwettelijke uitkering geen loon zou zijn in de zin van de CoŲrdinatiewet Sociale Verzekeringen. Voorts wijst appellant er op dat het gedaagde 2 is die vaststelt of een recht op een Bbwo-uitkering bestaat en dat de werkgever daarbuiten staat. Appellant heeft tenslotte gewezen op de rechtszekerheid, de rechtsgelijkheid en de gevolgen van het bestreden besluit.

3.2 Gedaagde 1 heeft zijn eerder ingenomen standpunt herhaald en in het bijzonder gewezen op het ruime inkomstenbegrip dat de wetgever heeft willen hanteren.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WW is werkloos de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en die beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

4.2. Artikel 16, derde lid, eerste volzin, van de WW bepaalt dat met het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon, bedoeld in het eerste lid, worden gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beŽindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geŽindigd.

4.3. In artikel 4, eerste lid, van het Bbwo is bepaald dat de betrokkene die recht heeft op een uitkering op grond van de WW, met uitzondering van een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van die wet, recht heeft op een aanvulling op de WW-uitkering.

4.4. Centraal in dit geding staat de vraag of de bovenwettelijke uitkering in de zin van artikel 4, eerste lid, van het Bbwo moet worden aangemerkt als inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beŽindiging van de dienstbetrekking. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Uit de bewoordingen van artikel 4, eerste lid, van het Bbwo blijkt dat het recht op een bovenwettelijke uitkering ontstaat als er sprake is van werkloosheid in de zin van de WW. De bovenwettelijke uitkering is derhalve afhankelijk gesteld van werkloosheid en niet van het einde van de dienstbetrekking. Hoewel er in veel gevallen een nauwe samenhang zal bestaan tussen het einde van de dienstbetrekking en de eerste werkloosheidsdag, heeft in de systematiek van de WW enerzijds de beŽindiging van de dienstbetrekking niet zonder meer werkloosheid in de zin van die wet tot gevolg, terwijl anderzijds het (voort)bestaan van een dienstverband niet aan het ontstaan van werkloosheid in de zin van de WW in de weg hoeft te staan. Nu de bovenwettelijke uitkering zo sterk is verbonden met het werkloosheidsbegrip uit de WW, betekent dit derhalve dat de bovenwettelijke uitkering niet kan worden aangemerkt als inkomsten in verband met de beŽindiging van de dienstbetrekking, als bedoeld in artikel 16, derde lid, eerste volzin, van de WW. De Raad wijst er daarbij op dat het onderhavige geval verschilt van de zaken die aan de orde waren in de hiervoor reeds aangehaalde uitspraak van de Raad van 4 juni 2003, in die zin dat de suppleties in die zaken door de kantonrechter werden toegekend ter zake van de ontbinding van de betreffende arbeidsovereenkomsten. Bovendien vloeiden die suppleties niet voort uit een met het Bbwo vergelijkbare regeling.

4.5. Gedaagde 1 heeft derhalve de eerste werkloosheidsdag op een onjuiste wijze bepaald. Aangezien aan appellant terzake van het beŽindigen van de dienstbetrekking geen vergoeding is toegekend en de kantonrechter bij beschikking van 30 september 2002 de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden per 1 oktober 2002, heeft appellant, indien de overige bepalingen van de WW zich daartegen niet verzetten, per 1 oktober 2002 recht op een WW-uitkering. Omdat de ingangsdatum van de Bbwo-uitkering, gelet op artikel 4, eerste lid, van het Bbwo, onlosmakelijk is verbonden met de ingangsdatum van de WW-uitkering, komt appellant dan eveneens per die datum een Bbwo-uitkering toe.

5.1. Het hoger beroep slaagt derhalve. De bestreden besluiten komen, voorzover in beroep aangevochten, wegens strijd met de WW en het Bbwo voor vernietiging in aanmerking. Datzelfde geldt voor de aangevallen uitspraak, waarbij die besluiten in zoverre in stand zijn gelaten. Gedaagden zullen met inachtneming van het voorgaande op de bezwaren van appellant dienen te beslissen.

5.2. De Raad acht termen aanwezig om gedaagden op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ieder voor de helft te veroordelen in de kosten die appellant heeft moeten maken voor het voeren van deze gedingen, welke kosten worden bepaald op Ä 644,-- voor rechtsbijstand in beroep en Ä 644,-- in hoger beroep, totaal derhalve Ä 1288,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten, voorzover in beroep aangevochten;
Draagt gedaagden op in zoverre een nieuw besluit op de bezwaren van appellant te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;
Veroordeelt gedaagde 1 in de proceskosten van appellant tot een bedrag van Ä 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Veroordeelt gedaagde 2 in de proceskosten van appellant tot een bedrag van Ä 644,--, te betalen door de Staat der Nederlanden;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep betaalde griffierecht van Ä 31,-- en de helft van het in hoger beroep betaalde griffierecht van Ä 102,--, derhalve totaal Ä 82,-- vergoedt;
Bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door appellant in beroep betaalde griffierecht van Ä 31,-- en de helft van het in hoger beroep betaalde griffierecht van Ä 102,--, derhalve totaal Ä 82,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. J.C.F. Talman en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x