Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU4395
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Maatregel WW-uitkering. Ingeval een werknemer zelf een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst indient, moet de daaropvolgende werkloosheid in beginsel als verwijtbaar worden beschouwd.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1015 WW en 04/1017 WW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde 1,
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gedaagde 2.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellant heeft mr. S. Bakker, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand te Leeuwarden, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 januari 2004, nrs. 03/350 WW en 03/351 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagden is een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 31 augustus 2005, waar appellant met voorafgaand bericht niet is verschenen, en waar gedaagden zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat de in deze gedingen aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (Bbwo), zoals deze luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Appellant was sedert 1 augustus 1985 werkzaam in dienst van de [werkgeefster] (hierna: [de werkgeefster]). Bij beschikking van 15 februari 2002 heeft de kantonrechter te Leeuwarden de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 15 maart 2002 ontbonden, onder toekenning aan appellant, ten laste van [de werkgeefster], van een vergoeding ten bedrage van 210.000,--, tenzij het ontbindingsverzoek door [de werkgeefster] binnen de in de beschikking vermelde termijn zou worden ingetrokken.

Bij brief van 14 maart 2002 heeft [de werkgeefster] appellant meegedeeld dat het ontbindingsverzoek is ingetrokken en dat [de werkgeefster] het mogelijk acht dat appellant weer ingezet kan worden als stafmedewerker subsidieaanvragen. Teneinde hierover duidelijkheid te krijgen heeft [de werkgeefster] de bedrijfsarts verzocht appellant op korte termijn uit te nodigen voor een gesprek. De bedrijfsarts heeft appellant uitgenodigd voor het spreekuur op 4 april 2002.

Appellant heeft bij verzoekschrift van 27 maart 2002 de kantonrechter verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Bij verweerschrift van 19 april 2002 heeft [de werkgeefster] eveneens een zelfstandig verzoek gedaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Bij beschikking van 24 mei 2002 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 15 juni 2002 ontbonden onder toekenning aan appellant ten laste van [de werkgeefster] van een vergoeding van bruto 122.500,--.

Bij besluit van gedaagde 1 van 24 oktober 2002 is aan appellant met ingang van 9 juli 2002 een WW-uitkering toegekend. Daarbij is meegedeeld dat deze uitkering bij wijze van maatregel gedurende 26 weken met 35% wordt verlaagd wegens verwijtbare werkloosheid. Bij besluit van gedaagde 2 van 24 oktober 2002 is appellant tevens een Bbwo-uitkering toegekend, welke eveneens wegens verwijtbare werkloosheid gedurende 26 weken met 35% is verlaagd. Bij de bestreden besluiten van 21 februari 2003 zijn de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten van 24 oktober 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten van 21 februari 2003 ongegrond verklaard.

De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd het volgende.

De Raad is van oordeel dat ingeval een werknemer zelf een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst indient, de daarop volgende werkloosheid in beginsel als verwijtbaar in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW moet worden beschouwd. Weliswaar kunnen er omstandigheden zijn die een uitzondering op dit uitgangspunt rechtvaardigen, waarbij onder meer te denken valt aan situaties waarin het ontbindingsverzoek is terug te voeren op een acute noodsituatie, maar van een dergelijke situatie is de Raad niet gebleken.

Evenals de rechtbank neemt de Raad daarbij in aanmerking dat appellant naar aanleiding van de brief van 14 maart 2002 van [de werkgeefster], waarbij hem werd gevraagd de functie van stafmedewerker subsidies weer te gaan vervullen, zonder contact op te nemen met zijn werkgever of de bedrijfsarts, de kantonrechter om ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst heeft verzocht. Daarmee heeft hij de mogelijkheid de arbeidsovereenkomst voort te zetten geen kans meer gegeven. De Raad acht het echter geenszins uitgesloten dat in de gegeven omstandigheden nader overleg met de bedrijfsarts en de werkgever nog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing van het arbeidsconflict had geleid waarbij het dienstverband althans nog enige tijd had kunnen worden voortgezet.

De Raad komt dan ook tot het oordeel dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door de dienstbetrekking te laten eindigen zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. Gedaagden hebben op goede gronden de uitkeringen van appellant gedurende 26 weken met 35% hebben verlaagd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. J.C.F. Talman en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x