Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU5689
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de hoogte van het dagloon juist vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/1364 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 13 januari 2005 onder kenmerk 03/1889 door de rechtbank ’s-Hertogenbosch gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 oktober 2005 waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers.
Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T.M. Kuijpers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Ter zitting van de Raad is de door appellant meegebrachte getuige, [getuige], sociaal-juridisch adviseur te Rotterdam, gehoord na het afleggen van de eed.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 10 juni 2003 heeft gedaagde gegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen het besluit van 14 januari 2003 en het dagloon voor het achterstallig loon, het loon over de opzegtermijn, de vakantietoeslag en de vakantiedagen bepaald op € 51,98. Appellant kan zich niet vinden in de hoogte van het dagloon en stelt zich op het standpunt dat hij meer dan 20 uur per week werkte en f 4.000,- netto per maand verdiende.

Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en gedaagde als verweerder, heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“Verweerder heeft eiser herhaaldelijk verzocht om de hoogte van zijn genoten salaris met loonstroken, dan wel betalingsbewijzen te onderbouwen. Daar de werkgever van eiser nimmer loonstroken heeft verschaft, heeft eiser deze niet kunnen overleggen. Wel heeft eiser een accountantsverklaring van 2 augustus 2000 overgelegd en kopieën uit het kasboek van zijn werkgever betreffende de periode juli/augustus 2001. In deze accountantsverklaring staat dat eiser een bruto jaarsalaris ter grootte van fl. 70.000,-- geniet en dat de verklaring wordt afgegeven in het kader van een hypotheekaanvraag en uitsluitend in dit kader kan worden aangewend. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan deze verklaring niet de betekenis worden toegekend die eiser daaraan gehecht wil zien, aangezien het een verklaring betreft, die ruim anderhalf jaar voor het faillissement van eisers werkgever is opgemaakt. Ook uit de door eiser overgelegde kopieën uit het kasboek van zijn werkgever wordt niet duidelijk wat eiser per maand of per jaar verdiende.
Het ligt primair op de weg van eiser om aan te tonen door middel van bijvoorbeeld bankafschriften, een arbeidscontract of belastingaangiftes wat de hoogte van zijn salaris was. Indien eiser niet beschikt over zodanige bewijsstukken, komt dit in beginsel voor zijn rekening en risico. Van omstandigheden op grond waarvan dat in casu anders zou kunnen zijn, is de rechtbank niet gebleken. Verweerder is derhalve terecht uitgegaan van het door de voormalige werkgever van eiser opgegeven loon bij de Belastingdienst te ’s-Hertogenbosch.
Voorts overweegt de rechtbank dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat verweerder uit gegaan is van een onjuiste omvang van zijn dienstverband. Bij faxbericht van 15 december 2004 en ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat een werkgever bij aanvang van een dienstverband een melding dienstverband Uwv dient in te zenden. Voor de voormalige GUO werkgevers, zoals de oud-werkgever van eiser, was het kantoor Gouda het kantoor waar deze melding gedaan werd. Uit de gegevens van dit kantoor is gebleken dat eiser een door zijn werkgever opgegeven dienstverband van 20 uur per week had.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat aan de destijds door zijn voormalig werkgever gedane opgave van het aantal uren per week meer waarde gehecht moet worden, dan aan de door eiser overgelegde getuigenverklaringen. De getuigenverklaringen zijn afkomstig van twee voormalig collega’s en een leverancier. Deze drie getuigen verklaren enkel dat eiser zes dagen in de week werkte om zijn taken te kunnen vervullen en zij verklaren niets omtrent de overeengekomen arbeidsduur van eiser met zijn voormalig werkgever, noch over het door hem ontvangen loon.”

In het beroepschrift is van de kant van appellant deze conclusie van de rechtbank bestreden waarbij is aangevoerd dat voldoende is aangetoond dat gedaagde is uitgegaan van een onjuiste omvang van het dienstverband alsmede een onjuiste hoogte van het salaris.

De Raad stelt vast dat de in hoger beroep van de kant van appellant aangevoerde bezwaren in essentie een herhaling zijn van hetgeen in het geding in eerste aanleg is aangevoerd. De Raad is van oordeel dat de bezwaren van appellant niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit en overweegt in dat verband dat hij de overwegingen die de rechtbank aan de aangevallen uitspraak ten grondslag heeft gelegd tot de zijne maakt. Aangezien het in het onderhavige geval ontbreekt aan enig objectiveerbaar en verifieerbaar bewijs zoals een arbeidsovereenkomst, loonstroken, bankafschriften en een loonadministratie is de Raad, in weerwil van de in hoger beroep overgelegde weekbeschrijving van de verrichte werkzaamheden en de ter zitting afgelegde getuigenverklaring, van oordeel dat appellant niet afdoende geslaagd is in het bewijs dat hij f 4.000,-- netto per maand verdiende. Ook kan de Raad geen doorslaggevende waarde hechten aan de afgegeven accountantsverklaring die - los van de aangegeven restrictie met betrekking tot het doel van die verklaring - afgegeven is voor de opgegeven aanvang van het dienstverband van appellant.

Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x