Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU6834
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de korting op de WW-uitkering terecht? Heeft betrokkene te weinig concrete sollicitaties verricht? Schending van de hoorplicht.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3334 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. A. el Kadi, juridisch adviseur te Amsterdam, op de in een aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zwolle 7 mei 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. AWB 03/325 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 28 september 2005, waar appellant in persoon is verschenen met bijstand van mr. El Kadi voornoemd als zijn raadsman, en waar gedaagde zich met voorafgaand bericht niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


1.0. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Aan appellant is ingaande 22 april 2002 een loongerelateerde WW-uitkering toegekend. Op het werkbriefje dat betrekking heeft op de periode van 23 september 2002 tot 20 oktober 2002 heeft appellant opgegeven achtereenvolgens te hebben gesolliciteerd bij Dactylo, bij Uitzendbueau CWI, bij Randstad en bij Flevopoort. Op het op de periode van 21 oktober 2002 tot en met 17 november 2002 betrekking hebbende werkbriefje heeft appellant vermeld dat hij achtereenvolgens heeft gesolliciteerd bij Flevopoort, Dactylo, CWI en Randstad. Onder meezending van deze twee werkbriefjes heeft gedaagde appellant bij brief van 20 november 2002 verzocht nader aan te geven welke concrete sollicitaties hij in de laatste periode heeft verricht omdat hij op dat briefje praktisch dezelfde sollicitatie heeft vermeld als op het vorige werkbriefje. Op het daartoe strekkende formulier heeft appellant dezelfde sollicitaties vermeld als op het laatste werkbriefje. Gedaagde heeft daarin aanleiding gezien om bij besluit van 18 december 2002 de WW-uitkering van appellant ingaande 18 november 2002 te verlagen met 20% gedurende 16 weken op de grond dat hij onvoldoende concrete sollicitaties heeft verricht. Appellant is volgens gedaagde de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW neergelegde verplichting niet nagekomen.

1.2. In bezwaar heeft appellant betoogd echt zijn best te doen om werk te vinden, naar school te gaan ter verbetering van zijn Nederlands en dat hij meent dat uitzendbureaus hem kunnen helpen om werk te vinden. Gedaagde heeft daarna informatie ingewonnen bij het CWI en bij Dactylo en vervolgens zonder appellant in de gelegenheid te stellen te worden gehoord bij besluit van 7 februari 2003 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Naar aanleiding van een bezoek van appellant aan het kantoor van gedaagde heeft gedaagde na het afgeven van het bestreden besluit wederom contact opgenomen met Dactylo, waaruit is gebleken dat appellant op 1 november 2002 aldaar langs is geweest en zijn salariswens naar beneden heeft bijgesteld.

1.3. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant gesteld dat gedaagde ten onrechte is voorbij gegaan aan het horen van appellant, omdat hij eventueel zijn bezwaar mondeling wilde toelichten en stukken met betrekking tot zijn pogingen om passend werk te verkrijgen wilde overleggen. De rechtbank heeft appellant vervolgens bij brief van 27 mei 2003 in de gelegenheid gesteld de in het beroepschrift van 17 maart 2003 bedoelde informatie betreffende appellants sollicitaties in de periode van 21 oktober 2002 tot en met 17 november 2002 te verschaffen. Bij brief van 19 juni 2003 heeft appellant verklaringen van [getuige 1] d.d. 14 mei 2003, van [getuige 2] d.d. 22 mei 2003, van [naam autobedrijf] d.d. 23 mei 2003 en een ongedateerde verklaring van [getuige 3] overgelegd. Uit deze verklaringen moet volgens appellant blijken dat hij op 21 oktober 2002, 30 oktober 2002, 4 november 2002 en 13 november 2002 heeft gesolliciteerd.

1.4. Op het verzoek van de rechtbank om op deze stukken te reageren, heeft gedaagde bij brief van 14 juli 2003 bericht vraagtekens te zetten bij deze verklaringen omdat appellant deze pas in beroep heeft overgelegd en hij eerder in de gelegenheid is gesteld aan te tonen dat hij concrete sollicitaties heeft verricht en daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Door appellant zijn de namen van deze werkgevers nooit eerder genoemd. In de aan het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank d.d. 15 april 2004 gehechte pleitnotities heeft gedaagde aangegeven dat hij daags voor de zitting heeft gebeld met [getuige 3], [naam autobedrijf] en [getuige 1] en dat de telefoon van [getuige 2] was afgesloten. Gedaagde concludeert op grond daarvan dat de overgelegde verklaringen niet verifieerbaar dan wel onjuist zijn en dat er om die reden geen waarde aan moet worden gehecht.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank allereerst overwogen dat gedaagde de hoorplicht van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden. Gedaagde is eerst door nader onderzoek tot de conclusie gekomen dat de stellingen van appellant in bezwaar deels niet juist waren en dat er niet daadwerkelijk aan de sollicitatieplicht is voldaan. Daaruit volgt reeds dat van een kennelijk ongegrond bezwaar geen sprake was. De rechtbank heeft vervolgens, van oordeel zijnde dat door gedaagde ook bij naleving van dat voorschrift geen andere inhoudelijke beslissing zou zijn genomen, toepassing gegeven aan artikel 6:22 van de Awb en het bestreden besluit in stand gelaten. Met betrekking tot de opgelegde maatregel wegens het in onvoldoende mate trachten passende arbeid te verkrijgen overwoog de rechtbank nadrukkelijk vraagtekens te zetten bij de geloofwaardigheid van de overgelegde verklaringen nu deze eerst in mei 2003 zijn geproduceerd en appellant ondanks diverse mogelijkheden daarvan niet eerder melding heeft gemaakt.

2.2. In hoger beroep heeft appellant zijn klacht over schending van de hoorplicht herhaald en, onder overlegging van gegevens uit de registers van de Kamer van Koophandel, erop gewezen dat hij in de van belang zijnde periode vier sollicitaties heeft verricht en dat deze blijken uit de door hem bij brief van 19 juni 2003 overgelegde verklaringen.

3.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb. De Raad zal het bestreden besluit wegens schending van de hoorplicht vernietigen. Gelet op de standpunten tussen partijen in hoger beroep met betrekking tot de opgelegde maatregel zal de Raad nagaan of de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen blijven. In dat verband overweegt de Raad als volgt.

3.2. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de hier aan de orde zijn beoordelingsperiode tenminste vier sollicitaties heeft verricht. De ongedateerde verklaring van [getuige 4] namens [getuige 3] dat appellant vanaf 13 november 2002 meerdere malen langs is geweest om te solliciteren, bevat onvoldoende overtuigingskracht tegenover de specifieke verklaring van [getuige 4] tegenover de gemachtigde van gedaagde dat appellant blijkens diens gegevens voor het eerst op 12 mei 2003 bij hem heeft gesolliciteerd. In essentie heeft appellant de juistheid van die nadere verklaring niet of nauwelijks weersproken en in elk geval niet met een nadere verklaring van [getuige 4] weerlegd. Ook indien zou worden aanvaard dat appellant sollicitaties heeft verricht bij [[getuige 1], [getuige 3] en [naam autobedrijf], dan nog heeft appellant niet voldaan aan de verplichting om tenminste vier sollicitaties te verrichten.

3.3. Gelet hierop is de Raad tot het oordeel gekomen dat appellant in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen en dat gedaagde gehouden was een maatregel op te leggen. Van omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat appellant het niet voldoen aan die verplichting verminderd kan worden verweten, is de Raad niet gebleken.

4.1. Gelet op het vorenoverwogene kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit derhalve geheel in stand blijven.

4.2. Nu het bestreden besluit wordt vernietigd, acht de Raad termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de kosten van appellant wegens verleende rechtsbijstand, begroot op 644,-- in beroep en op 644,-- in hoger beroep, totaal derhalve 1.288,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; Veroordeelt gedaagde in de kosten van appellant, begroot op 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beide instanties betaalde griffierecht van totaal 133,-- aan hem vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 november 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x