Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU6863
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Tolk Arabisch bij de IND. Weigering WW-uitkering. Is er sprake van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/7299 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. D.C. Coppens, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Breda van 10 november 2004, kenmerk 03/2648.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nadien nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 oktober 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Coppens, voornoemd. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door W.G. Metus.




II. MOTIVERING


Appellant heeft sinds 1 september 1995 als tolk Arabisch op oproepbasis werkzaamheden verricht voor de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie. Toen appellant steeds minder werd opgeroepen, heeft hij met ingang van 1 juni 2002 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.

Bij besluit van 6 september 2002, gehandhaafd bij besluit van 9 december 2003, heeft gedaagde die aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet is aan te merken als een werknemer in de zin van de WW.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 9 december 2003 ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant die uitspraak gemotiveerd bestreden.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of gedaagde terecht heeft aangenomen dat tussen appellant en de IND geen arbeidsverhouding heeft bestaan die verplichte verzekering op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten meebrengt.

De Raad beantwoordt deze vraag, anders dan de rechtbank, ontkennend.

De Raad stelt voorop dat blijkens vaste jurisprudentie van deze Raad voor de beantwoording van voormelde vraag niet doorslaggevend is hoe de arbeidsverhouding door de partijen zelf wordt gekwalificeerd, of wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst hebben beoogd. Alle relevante feiten en omstandigheden van het geval moeten in aanmerking worden genomen. Ook het voeren van een zelfstandige onderneming behoeft volgens vaste jurisprudentie op zichzelf niet te beletten, dat de werkzaamheden in dienstbetrekking worden verricht.

Naar het oordeel van de Raad zijn de drie essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, de loonbetalingsverplichting en de gezagsverhouding, in de arbeidsverhouding tussen de IND en appellant aanwezig.

Met betrekking tot de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting overweegt de Raad dat appellant de werkzaamheden gedurende de in geding zijnde periode steeds persoonlijk heeft verricht, en dat niet is gebleken dat hij zich heeft laten vervangen. Tevens blijkt dat appellant zich niet zonder toestemming door een willekeurige derde kon laten vervangen, aangezien onder punt 4.5 van het op de onderhavige arbeidsverhouding van toepassing verklaarde zogeheten Beleidskader tolken expliciet is bepaald dat de tolk de tolkopdracht in eigen persoon dient uit te voeren.

Ten aanzien van het element van de verplichting tot loonbetaling is de Raad van oordeel dat de aan appellant gedane betalingen een reële contraprestatie voor de verrichte arbeid zijn.

De Raad is voorts van oordeel dat sprake is van een gezagsverhouding tussen de IND en appellant. Van een gezagsverhouding is blijkens vaste jurisprudentie van de Raad sprake indien door de werkgever aanwijzingen en instructies kunnen worden gegeven welke de werknemer dient op te volgen. In een situatie als de onderhavige, waarin de werkzaamheden een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering vormen, is het ontbreken van werkgeversgezag niet aannemelijk. In het onderhavige geval zijn er ook concrete aanknopingspunten om een gezagsverhouding aan te nemen. Uit het Beleidskader tolken blijkt onder meer dat de IND eenzijdig bepaalt voor welke vergoeding appellant in aanmerking komt en dat de IND door middel van toetsen, gesprekken met de tolken en informatie van medewerkers de kwaliteit bewaakt van het tolkenbestand en van de daarin opgenomen tolken. Voorts is er een door de IND opgestelde gedragscode waarin aanwijzingen en instructies met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden worden gegeven. Uit het Beleidskader tolken blijkt verder dat eventuele klachten over tolken zoals appellant, moeten worden ingediend bij de IND en dan in behandeling worden genomen door de voor de relevante regio bevoegde coördinator tolken van de IND. Bij de behandeling van dergelijke klachten wordt blijkens het Beleidskader tolken titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing geacht. In het licht van artikel 9:1, tweede lid, van de Awb impliceert dit dat ook gedaagde ervan uitgaat dat het bij tolken gaat om personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, waarmee ondergeschikten worden bedoeld. Blijkens de wetsgeschiedenis gaat het daarbij niet alleen om ondergeschikte ambtenaren, maar ook om arbeidscontractanten en uitzendkrachten. Dit alles in onderling verband beschouwd, leidt de Raad tot de slotsom dat een gezagsrelatie tussen de IND en appellant genoegzaam vaststaat.

Met betrekking tot de door gedaagde aangevoerde omstandigheid dat appellant niet verplicht was aan een oproep gehoor te geven, overweegt de Raad dat, wat hiervan overigens ook zij, dit niet kan afdoen aan het bestaan van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding tussen de IND en appellant. Telkens wanneer appellant zich verbond om voor de IND vertaalwerkzaamheden te verrichten en deze werkzaamheden metterdaad verrichtte, stond hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot de IND.

Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 9 december 2003 niet in stand kan blijven. Gedaagde dient opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 9 december 2003;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 133,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. C.P.M. van de Kerkhof en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2005.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x