Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU7288
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht gesteld dat betrokkene in de periode in geding in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen zodat terecht een maatregel is opgelegd?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/342 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 1 oktober 2003 gewezen uitspraak, reg.nr. Awb 03/299 WW SEE, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 mei 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. I.A.H. Olivers-Schuwirth, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Namens gedaagde is verschenen [echtgenoot], echtgenoot van gedaagde.

Het onderzoek is ter zitting geschorst teneinde appellant in de gelegenheid te stellen een nader onderzoek te verrichten naar de sollicitatie van gedaagde bij Fisser textielonderneming en de Raad binnen vier weken na deze zitting te berichten over de uitkomst van dat onderzoek.

Bij brief van 30 mei 2005 heeft appellant de uitkomst van dat onderzoek aan de Raad kenbaar gemaakt. Bij brief van 3 juli 2005, aangevuld bij brief van 6 juli 2005, heeft gedaagde hierop een reactie gegeven.

Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven tot afdoening buiten zitting.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Gedaagde heeft laatstelijk als assistent account manager gewerkt bij de [naam Bank] te [vestigingsplaats]. Bij beschikking van 29 maart 2002 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van gedaagde met de [naam Bank] per 1 juni 2002 ontbonden.
In verband met deze ontbinding heeft gedaagde een WW-uitkering aangevraagd, waarbij zij zich voor 16 uur per week beschikbaar heeft gesteld voor arbeid.

Bij besluit van 16 september 2002 heeft appellant vastgesteld dat gedaagde per 1 juli 2002 recht heeft op een WW-uitkering. Daarbij is bij wijze van maatregel gedaagdes uitkering gekort met 20 procent gedurende 16 weken, omdat zij in de periode van 15 juli 2002 tot en met 12 augustus 2002 in onvoldoende mate sollicitaties heeft verricht.
Bij het bestreden besluit van 21 januari 2003 heeft appellant, na bezwaar, die beslissing gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard.
Daartoe is overwogen dat indien gedaagde heeft gesteld dat zich geen passende vacatures hebben voorgedaan, appellant dient aan te tonen dat er wel degelijk passende vacatures beschikbaar waren. Nu appellant dit heeft nagelaten te onderzoeken, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat gedaagde niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een causaal verband tussen de mate waarin gedaagde solliciteert en het voortduren van de werkloosheid nu gedaagde in de betreffende week niet heeft gesolliciteerd omdat er geen passende vacatures beschikbaar waren. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook ten onrechte een maatregel opgelegd, omdat niet is gebleken dat gedaagde in de periode 15 juli 2002 tot 12 augustus 2002 in onvoldoende mate heeft gesolliciteerd.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat van de werkloze werknemer wordt verwacht dat hij er alles aan doet om zijn werkloosheid op te heffen door het verrichten van concrete sollicitaties. Van de werkloze wordt verwacht dat hij tenminste één concrete sollicitatieacitviteit per week verricht. In de uitspraak van de Raad van 16 mei 2001, LJN AE8626, RSV 2001/181, heeft de Raad geoordeeld dat indien betrokkene niet aan dit minimumvereiste voldoet, in principe mag worden uitgegaan van het bestaan van een causaal verband. De rechtbank heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat geen sprake kan zijn van causaliteit omdat geen passende vacatures voorhanden waren. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie waarin gedaagde zich bevond, afwijkt van recente uitspraken van de Raad, LJN AD7121, USZ 2002/20 en LJN AD7717, USZ 2002/22, terzake van het causaal verband tussen het solliciteren en het voortduren van de werkloosheid. Gedaagde bevond zich niet in een moeilijke positie en zij is door het CWI ingedeeld in fase I, zodat zij direct bemiddelbaar werd geacht en er geen of weinig belemmeringen zijn die het vinden van werk bemoeilijken. Van een werkloze werknemer kan bij het ontbreken van belemmeringen desnoods verlangd worden dat hij open sollicitaties verricht.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW voorkomt de werknemer dat hij werkloos is of blijft doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. De Raad heeft in de uitspraak van 16 mei 2001,
LJN AE8626, RSV 2001/181, het door appellant gevoerde, in het Besluit Sollicitatieplicht werknemers WW (hierna: het Besluit) neergelegde, beleid dat inhoudt dat van een werkloze werknemer wordt verlangd dat deze in het algemeen ten minste één concrete sollicitatieactiviteit per week verricht, niet in strijd met een juiste uitleg van deze bepaling geacht.

Niet in geschil is dat appellant in de periode in geding drie concrete sollicitaties van gedaagde heeft geaccepteerd, te weten de twee sollicitaties bij [naam bedrijf 1]. en [bedrijf 2] die zij op het werkbriefje heeft vermeld en de sollicitatie bij de [bedrijf 3] die zij tijdens de hoorzitting heeft genoemd. Over week 30, die begint op 22 juli 2002, heeft gedaagde appellant desgevraagd verklaard dat zij niet heeft gesolliciteerd omdat er geen passende vacatures waren. Op de hoorzitting heeft gedaagde aangegeven dat zij telefonisch heeft gesolliciteerd bij een textielonderneming in [vestigingsplaats] waarvan ze de naam niet meer weet.

In geding is thans de vraag aan de orde of laatst bedoelde (vierde) sollicitatie als een concrete sollicitatieactiviteit, als in het Besluit bedoeld, kan worden aangemerkt, zodat zij heeft voldaan aan voornoemde sollicitatieplicht.

De Raad stelt vast dat gedaagde eerst hangende de procedure bij de Raad de naam van deze onderneming, [naam B.V.] te [vestigingsplaats] (hierna: [naam B.V.]), heeft genoemd. Gedaagde heeft in haar verweerschrift gesteld dat zij het adres en de naam had kunnen achterhalen indien appellant daarnaar onderzoek had willen verrichten, maar heeft niet spontaan de gegevens van [naam B.V.] meegedeeld. Tijdens de zitting bij de Raad heeft de gemachtigde van gedaagde meer informatie gegeven over de desbetreffende sollicitatie. Naar aanleiding daarvan is appellant in de gelegenheid gesteld nadere informatie in te winnen.
Uit deze informatie is naar voren gekomen dat er bij [naam B.V.] destijds weliswaar een vacature als boekhouder was, maar dat niet zeker is of het gedaagde is geweest die daarop heeft gereageerd. Appellant heeft zich naar aanleiding daarvan op het standpunt gesteld dat de nadere gegevens onvoldoende zijn om te concluderen dat gedaagde in week 30 bij [naam B.V.] heeft gesolliciteerd. Immers, reeds eerder heeft zij meegedeeld dat er in die week geen passende vacatures waren en op de hoorzitting heeft zij slechts onvolledige informatie verschaft over deze sollicitatie.
In reactie daarop heeft gedaagde kenbaar gemaakt dat appellant onvolledig verslag heeft gedaan van zijn onderzoek. Volgens gedaagde heeft de directeur van [naam B.V.] aan appellant verklaard dat de sollicitatie inderdaad plaatsgevonden moet hebben omdat gedaagde anders niet op de hoogte kon zijn van de in het gesprek genoemde details. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft gedaagde een verklaring van de directeur van [naam B.V.] overgelegd.

De Raad is van oordeel dat daarmee echter onvoldoende is vast komen te staan dat gedaagde inderdaad in week 30 bij [naam B.V.] heeft gesolliciteerd. Daarbij betrekt de Raad eveneens dat gedaagde zelf pas in een zeer laat stadium ook nog onvolledige informatie heeft gegeven. De onduidelijkheid over de sollicitatie van gedaagde is ook door de, tegenstrijdige, verklaringen naar aanleiding van het nadere onderzoek door appellant niet weggenomen, zodat de Raad van oordeel is dat de sollicitatie bij [naam B.V.] onvoldoende concreet is geworden.

Naar het oordeel van de Raad had het op de weg van gedaagde gelegen om tijdig meer informatie te verstrekken over het bedrijf waar zij heeft gesolliciteerd en de week waarin zij de sollicitatie heeft verricht. Door eerst in een dergelijk laat stadium met de benodigde gegevens te komen, heeft gedaagde het risico genomen dat niet meer te achterhalen is of en wanneer zij bij [naam B.V.] heeft gesolliciteerd. Dit dient dan ook voor risico en rekening van gedaagde te blijven.

Daarmee is vast komen te staan dat gedaagde niet heeft voldaan aan de norm van tenminste één concrete sollicitatieactiviteit per week, zodat niet is voldaan aan de sollicitatieplicht.

Daarbij komt dat in het geval van gedaagde niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan deze norm niet zou hoeven te gelden. Gedaagde was immers door het CWI ingedeeld in fase 1, hetgeen wil zeggen dat zij onmiddellijk bemiddelbaar was en dat er geen belemmeringen waren voor het vinden van werk. Van gedaagde had dan ook mogen worden verwacht dat, zo er sprake was van een gebrek aan vacatures, zij open sollicitaties zou verrichten.

Op grond van het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat appellant terecht heeft gesteld dat gedaagde in de periode in geding in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen, zodat appellant terecht een maatregel heeft opgelegd van 20 procent gedurende 16 weken.

De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep dient ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond;

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 november 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x