Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU7402
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene heeft zich zodanig gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beŽindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben, zodat hij verwijtbaar werkloos is geworden.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/1034 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 januari 2005, nr. 04/668 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 oktober 2005. Appellant is in persoon verschenen. Gedaagde heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


1. Het geschil dat in dit geding aan de orde is wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW), en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier in geding.

2. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger uiteenzetting van de in dit geding aan de orde zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende.

2.1. Appellant was werkzaam bij het Sociale Werkvoorzieningschap Delta te Zutphen (hierna: de werkgever) als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Aan deze dienstbetrekking is door aan appellant verleend ontslag op 25 oktober 2003 een einde gekomen.

2.2. Appellant heeft gedaagde verzocht om hem een uitkering ingevolge de WW toe te kennen. Bij besluit van 5 februari 2004 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat het vermoeden bestaat dat de beŽindiging van zijn dienstverband aan hemzelf is te wijten, zodat hij mogelijk verwijtbaar werkloos is geworden. Op die grond heeft gedaagde ten aanzien van appellant beslist een voorschot op een uitkering ingevolge de WW op nihil te stellen. Bij het bestreden besluit van 22 april 2004 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 februari 2004 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Het oordeel van de Raad.

4.1. In dit geding is de vraag aan de orde of de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Deze vraag beantwoordt de Raad bevestigend. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, dient de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel, is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beŽindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Onder verwijtbaar in deze bepaling wordt verstaan verwijtbaar jegens de werkgever. Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW, dient gedaagde de uitkering blijvend geheel te weigeren indien de werknemer een verplichting, hem opgelegd op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, van de WW niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.3. Ingevolge artikel 31, tweede lid, van de WW is gedaagde bevoegd op verzoek van de werknemer een naar redelijkheid vast te stellen voorschot op een uitkering te betalen, indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op uitkering.
De Raad is van oordeel dat uit de hier van belang zijnde wetsgeschiedenis blijkt dat de term ďnaar redelijkheid vast te stellen voorschotĒ betekent dat de hoogte van het voorschot zo veel mogelijk het bedrag van de definitieve uitkering dient te benaderen en dat bij de vaststelling van het voorschot daarom rekening mag worden gehouden met een naar verwachting met betrekking tot de uitkering toe te passen maatregel. Een beslissing hieromtrent moet uiteraard in overeenstemming zijn met geschreven of ongeschreven rechtsregels en met algemene rechtsbeginselen. In gevallen als het onderhavige betekent dit in het bijzonder dat zo goed als redelijkerwijs mogelijk is een onderzoek dient te worden ingesteld naar de feiten en omstandigheden waarmee de te verwachten maatregel verband houdt.

4.4. De Raad is van oordeel dat het door gedaagde aan het bestreden besluit voorafgaand onderzoek naar de feiten en omstandigheden, die de werkgever aanleiding hebben gegeven voor het ontslag van appellant, voldoende zorgvuldig is geweest en dat de resultaten van dat onderzoek gedaagdes beslissing de hoogte van het voorschot op nihil te stellen kunnen dragen. Ook overigens is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.4.1. Blijkens de artikelen 2, 3 en 4 van de Wsw, beoogt deze wet een rechtspersoon zoals de werkgever, in staat te stellen het behouden dan wel het bevorderen van de arbeidsbekwaamheid van de werknemer na te streven, mede met het oog op het kunnen gaan verrichten van arbeid onder normale omstandigheden, door aan werknemers die tot de doelgroep behoren een dienstbetrekking aan te bieden.

4.4.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wsw, is de werknemer verplicht mee te werken aan het behoud dan wel het bevorderen van zijn arbeidsbekwaamheid en aan het verkrijgen van arbeid onder normale omstandigheden, voor zover hij daartoe in staat wordt geacht. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, van deze bepaling wordt de dienstbetrekking opgezegd indien de werknemer niet voldoet aan het eerste lid.

4.4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit de voorhanden zijnde stukken genoegzaam kan worden afgeleid dat appellant herhaaldelijk heeft geweigerd om te voldoen aan de ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wsw, op hem rustende verplichting. Ook nadat appellant van de zijde van de werkgever - bij herhaling - op de consequenties van zijn gebrek aan medewerking was gewezen, heeft hij nagelaten om te voldoen aan die verplichting.

4.4.4. Gezien de in 4.4.1. vermelde doelstelling van de Wsw is de Raad van oordeel dat appellant zich daarmee verwijtbaar zodanig heeft gedragen, dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beŽindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben, zodat hij verwijtbaar werkloos is geworden als omschreven in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Niet is gebleken dat het niet nakomen van de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW vermelde verplichting appellant niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.5. Ter zitting van de Raad heeft appellant een breed scala van grieven ontvouwd tegen particuliere ondernemingen en overheidsinstanties. Die grieven vallen alle buiten de omvang van het onderhavige geding zodat de Raad aan die grieven voorbij moet gaan.

5. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 november 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x