Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU7780
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Reorganisatie. Instemming met ontslag. Blijvend gehele weigering WW-uitkering. Verwijtbare werkloosheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/6168 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I
. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellante is, op bij beroepschrift aangegeven gronden, in hoger beroep gekomen tegen de onder dagtekening 25 oktober 2004 tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Amsterdam, reg.nr. WW 04/456, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 oktober 2005, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Wegens een reorganisatie bij haar werkgever ABN-AMRO is met ingang van 1 juli 2002 met wederzijde goedvinden een einde gekomen aan appellantes dienstverband met deze werkgever. Appellante heeft op 24 oktober 2003 bij gedaagde een aanvraag ingediend om met ingang van 1 juli 2002 in aanmerking te worden gebracht voor een WW-uitkering.

Bij het thans bestreden besluit van 6 februari 2004 heeft gedaagde de gevraagde WW-uitkering blijvend geheel geweigerd op grond van de overweging dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden. Naar de mening van gedaagde heeft appellante een voorzienbaar werkloosheidsrisico genomen door in te stemmen met haar ontslag, terwijl niet is gebleken van omstandigheden waardoor aan voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van appellante kon worden gevergd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellantes beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat gedaagde terecht heeft aangenomen dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden. De door appellante gestelde financiŽle problemen leveren naar het oordeel van de rechtbank geen dringende reden op af te zien van het opleggen van de maatregel van blijvend gehele weigering van WW-uitkering.

In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank bestreden, zich daarbij beperkend tot het oordeel dat niet gebleken is van omstandigheden die een dringende reden als bedoel in artikel 27, zesde lid, van de WW, opleveren. Onder verwijzing naar afschriften van haar bankrekening en die van haar echtgenoot geeft appellante aan dat haar gezin door hoge lasten en uitgaven in directe financiŽle nood is geraakt.

De Raad overweegt als volgt.

Het gaat in de onderhavige procedure om de vraag of de rechtbank met recht heeft geoordeeld dat gedaagdes besluit tot blijvend gehele weigering van appellantes WW-uitkering vanwege het ontbreken van een dringende reden als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW, in rechte stand kan houden.

De Raad kan het oordeel van de rechtbank onderschrijven. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen in gevallen als de onderhavige de dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiŽle of maatschappelijke gevolgen van de opgelegde maatregel van de blijvend gehele weigering van WW-uitkering. In de door appellante aangevoerde omstandigheden dat zij en haar gezin tengevolge van de weigering van haar WW-uitkering in financiŽle nood zijn geraakt en dat dit wordt verergerd door het feit dat haar echtgenoot een laag en fluctuerend inkomen heeft uit zijn eenmanszaak, ziet de Raad onvoldoende gronden aanwezig om dringende redenen aan te nemen op grond waarvan gedaagde van het opleggen van een maatregel had dienen af te zien. De Raad kan in de overlegde bankafschriften onvoldoende steun vinden voor appellantes standpunt, reeds nu daaruit de gestelde financiŽle nood onvoldoende blijkt en voorts hieruit geen inzicht kan worden verkregen in de totale inkomens- en vermogenspositie van appellante en haar gezin.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. C.G.M. van Rijnberk als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x