Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU7784
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het niet herkrijgen van werknemerschap. Geen volledige beëindiging van de werkzaamheden als zelfstandige.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/4612 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. P.E.F. Domevscek, advocaat te ’s-Hertogenbosch, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 15 juli 2004, zaaksnummer AWB 03/431 WW tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 27 september 2004 heeft mr. W. van Grieken, advocaat te ’s-Hertogenbosch, bericht de zaak van mr. Domevscek te hebben overgenomen.
Op 4 november 2004 heeft mr. Van Grieken een aanvullend beroepschrift ingediend onder toevoeging van een aantal bijlagen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 21 september 2005 heeft mr. Van Grieken een aanvulling gegeven op het beroepschrift.

Het geding is behandeld ter zitting van 28 september 2005, waar appellant in persoon is verschenen met bijstand van mr. W. van Grieken, voornoemd, als zijn raadsvrouw en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J. Röttjers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde in geding.

Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder - ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
“Bij besluit van 26 september 2002 heeft gedaagde geweigerd aan het verzoek van appellant te voldoen omdat appellant de hoedanigheid van werknemer heeft verloren en deze niet meer kan herkrijgen, nu hij langer dan 18 maanden werkzaam is geweest als zelfstandige. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 6 januari 2003, het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat ingevolge bestaande jurisprudentie het werknemerschap op grond van artikel 8, tweede lid, van de WW alleen kan worden herkregen, indien de zelfstandige werkzaamheden binnen een termijn van anderhalf jaar na aanvang hiervan, volledig worden beëindigd en er geen activiteiten meer worden verricht. Hiervan kan niet worden gesproken nu appellant nog steeds probeert om opdrachten binnen te halen. En ook indien appellant op 1 juli 2002 definitief zijn activiteiten als zelfstandige zou hebben beëindigd, dan nog had appellant het werknemerschap niet kunnen herkrijgen, omdat de termijn van anderhalf jaar na aanvang van de activiteiten op 8 mei 2000 op dat moment al lang was verstreken, aldus gedaagde”.

Appellant heeft zich in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat hij het werknemerschap op 7 september 2001 van rechtswege heeft herkregen op grond van artikel 8 van de WW, omdat hij na die datum zijn werkzaamheden als zelfstandige volledig heeft gestaakt. Subsidiair heeft appellant het standpunt ingenomen dat de overschrijding van de termijn van anderhalf jaar - voor zover van overschrijding kan worden gesproken, hetgeen wordt betwist - niet voor zijn rekening en risico behoort te komen.

De Raad overweegt als volgt.

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is ook de Raad van oordeel dat appellant met ingang van 8 mei 2000 is begonnen met het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige en dat hij anderhalf jaar later - op 8 november 2001 - nog als zelfstandige moet worden beschouwd. Genoegzaam is gebleken dat de activiteiten van appellant in de periode na het aflopen van zijn project bij Siemens AG te Duitsland op 6 september 2001, zowel gericht waren op het verwerven van nieuwe projecten als zelfstandige als op werk in loondienst. Daarop wijst ook het gegeven dat appellant reeds met ingang van 1 december 2001 vanuit zijn B.V. [de besloten vennootschap] weer als zelfstandige op projectbasis is gaan werken. Ook de acquisitie behoort tot het verrichten van zelfstandige werkzaamheden.

Derhalve kan naar het oordeel van de Raad niet worden gesproken van een volledige beëindiging van de werkzaamheden als zelfstandige. De Raad merkt in dit verband nog op dat appellant gedurende de gehele procedure tot aan het begin van het geding in hoger beroep steeds zelf heeft aangegeven dat zijn activiteiten - zij het noodgedwongen - mede gericht waren op het verkrijgen van arbeid als zelfstandige.
De conclusie moet dan ook zijn dat gedaagde op goede grond heeft besloten dat appellant het werknemerschap op 1 juli 2002 niet heeft herkregen.

Gezien het vorenstaande treft hetgeen in hoger beroep als primaire grond naar voren is gebracht dan ook geen doel. De subsidiaire grond heeft appellant eveneens in eerste aanleg aangevoerd. Nu de Raad hetgeen daarover door de rechtbank is vastgesteld en overwogen volledig kan onderschrijven en appellant in hoger beroep dienaangaande niets anders of meer heeft aangevoerd, volstaat de Raad met de vaststelling dat ook deze grief van appellant niet slaagt.

Namens appellant is eerst bij schrijven van 21 september 2005 gesteld dat hij per 8 mei 2000 niet als zelfstandige, maar in loondienst werkte. Met betrekking tot dit nadere standpunt van appellant over de kwalificatie van de werkzaamheden die hij van 8 mei 2000 tot 7 september 2001 heeft verricht, merkt de Raad op hieraan voorbij te gaan. De Raad acht het in strijd met de beginselen van een goede procesorde om in dit stadium van het geding met een dergelijke standpuntwijziging te komen, terwijl er bovendien geen enkel gegeven ter onderbouwing van dat nadere standpunt is overgelegd.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. J. Riphagen en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) S. l’Ami.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x