Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU7790
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing van de verzoeken om toekenning van een uitkering krachtens hoofdstuk IV van de WW. Verzoeken tot overneming van de betalingsverplichting van de werkgever om een aanvulling te betalen op de na de dienstbetrekking ontvangen werkloosheidsuitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/4093 WW t/m 04/4097 WW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellanten], appellanten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellanten heeft mr. A.C.S. Grťgoire, advocaat te Sittard, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 6 juli 2004, nrs. AWB 04/16 + 04/17 + 04/76 + 04/77 + 04/102 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 19 oktober 2005, waar appellanten met bericht vooraf niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat de in deze gedingen aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellanten hebben laatstelijk gewerkt bij Horn Electro BV (hierna: de werkgever) in de vestiging van het bedrijf te Echt. Het bedrijf van de werkgever is overgenomen door Megapool B.V. te Apeldoorn, in verband waarmee de vestiging te Echt werd gesloten. De arbeidsovereenkomsten van appellante en appellanten 1, 2 en 3 zijn door de werkgever, nadat daarvoor toestemming was verleend door de regionaal directeur van de Arbeidsvoorziening, per september/oktober 2000 beŽindigd. De arbeidsovereenkomst van appellant 4 is door de kantonrechter bij beschikking d.d. 30 mei 2000 ontbonden met ingang van 12 juni 2000. Het loon van appellanten is tot de beŽindiging van de arbeidsovereenkomsten uitbetaald.

Op 8 oktober 2001 is de werkgever failliet verklaard. Appellanten hebben vervolgens gedaagde verzocht om toekenning van een uitkering krachtens hoofdstuk IV van de WW. Appellanten vroegen daarbij om overneming van de verplichting van de werkgever om een aanvulling te betalen op de na het einde van de dienstbetrekking ontvangen werkloosheidsuitkering. Daarnaast vroegen appellanten, met uitzondering van appellant 4, om overneming van de verplichting van de werkgever tot uitbetaling van vakantiegeld en/of vakantiedagen en vroeg appellante tevens nog om overneming van extra overeengekomen loon.

Bij drie besluiten van 18 januari 2002, genomen ten aanzien van appellante en appellanten 1 en 2, een besluit van 16 september 2002, genomen ten aanzien van appellant 3, en een besluit van 26 maart 2002, genomen ten aanzien van appellant 4, heeft gedaagde onder toepassing van artikel 62 van de WW afwijzend beslist op de desbetreffende aanvragen. Bij afzonderlijke besluiten van 5 december 2003 (hierna: de bestreden besluiten) heeft gedaagde de bezwaren van appellanten tegen het ten aanzien van elk van hen genomen besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe geoordeeld dat in de situatie van appellanten geen sprake was van de in artikel 62, aanhef en onder a, van de WW vereiste Ďduidelijke samenhangí tussen de omstandigheden die tot het eindigen van de dienstbetrekking leidden en de omstandigheden die tot de toestand als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de WW (hierna: de toestand van blijvende betalingsonmacht) hebben geleid. Tevens heeft de rechtbank, voor zover door appellanten om overneming was gevraagd van nog niet uitbetaald vakantiegeld, geoordeeld dat het niet geldend kunnen maken van die vorderingen niet uitsluitend voortvloeit uit de toestand van blijvende betalingsonmacht van de werkgever. Een en ander brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat bij de bestreden besluiten op goede gronden is beslist dat appellanten op grond van artikel 62 van de WW geen recht hebben op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW. Ten overvloede heeft de rechtbank nog overwogen dat de door de werkgever te betalen aanvulling niet kan worden toegerekend aan ťťn van de in artikel 64 van de WW genoemde termijn, zodat die aanvulling op die grond reeds niet voor overneming door gedaagde in aanmerking komt.

Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.

De Raad is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot voormeld oordeel is gekomen en onderschrijft de overwegingen die daartoe hebben geleid. Nu de stellingen van appellanten in hoger beroep een herhaling vormen van hetgeen reeds voor de rechtbank is betoogd, en deze terecht door de rechtbank zijn verworpen, ziet de Raad geen aanleiding om nogmaals uitgebreid op deze stellingen in te gaan. De Raad merkt daarbij nog wel op dat de omstandigheden die de werkgever ertoe hebben gebracht zijn bedrijf tegen betaling te doen overnemen door een ander bedrijf, in het kader waarvan de vestiging te Echt werd gesloten en de dienstbetrekkingen van appellanten zijn beŽindigd, van bedrijfseconomische aard waren en dat die omstandigheden ook naar zijn oordeel de vereiste duidelijke samenhang, als bedoeld in artikel 62, aanhef en onder a, van de WW, ontberen met de omstandigheden die hebben geleid tot de toestand van blijvende betalingsonmacht van de werkgever. Van de kant van appellanten zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan hieromtrent tot een ander oordeel moet worden gekomen. Voorts bieden de voorhanden zijnde gegevens genoegzaam steun voor het oordeel dat in de situatie van appellanten, die pas meerdere maanden na het faillissement van de werkgever hun aanvragen om uitkering krachtens hoofdstuk IV van de WW hebben gedaan, niet is voldaan aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 62, aanhef en onder b, van de WW, dat de door hen gestelde vorderingen niet geldend gemaakt kunnen worden uitsluitend wegens de toestand van blijvende betalingsonmacht waarin de werkgever met ingang van 8 oktober 2001 is komen te verkeren. Ook naar het oordeel van de Raad staat derhalve artikel 62 van de WW aan inwilliging van de gedane aanvragen in de weg.

Het hoger beroep van appellanten treft derhalve geen doel, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S. líAmi als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005.

(get.) H. Bolt.

(get.) L. líAmi.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x