Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU7794
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht en op goede gronden aangenomen dat betrokkene zich met betrekking tot zijn dienstbetrekking bij de werkgever verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/4188 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2004, nr. AWB 03/1218 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 oktober 2005. Appellant is in persoon verschenen bijgestaan door mr. P. Goettsch, advocaat te Amsterdam. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant is op 1 april 2001 in dienst getreden van Hotel Royal Taste in de functie van parttime nachtportier, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die zou eindigen op 1 oktober 2001. Deze arbeidsovereenkomst is verlengd tot 1 april 2003. In de nacht van 19 op 20 mei 2002 heeft zich een schermutseling voorgedaan tussen appellant enerzijds en anderzijds de zich in een bar van dat hotel bevindende klant, zijnde een kennis van een vrouwelijke collega, welke collega op dat moment werkzaam was als barkeeper in hetzelfde hotel. Naar aanleiding van dit incident is appellant op 20 mei 2002 op staande voet ontslagen. Nadien is tussen appellant en Hotel Royal Taste overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden met ingang van 1 juni 2002. Aansluitend is appellant in dienst getreden bij Hotel Torenzicht. Aan dit dienstverband is per 31 juli 2002 een einde gekomen.

2.2. Naar aanleiding daarvan heeft appellant bij gedaagde een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 27 augustus 2002 is deze aanvraag afgewezen omdat appellant volgens gedaagde uit de dienstbetrekking bij Hotel Royal Taste (hierna: de werkgever) verwijtbaar werkloos is geworden. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij het bestreden besluit van 6 februari 2003 ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat, nu appellant in het dienstverband bij Hotel Torenzicht geen zelfstandig recht op WW-uitkering heeft opgebouwd, moet worden gekeken naar het einde van het dienstverband waaraan appellant zijn WW recht mede ontleent en dit is het dienstverband bij de werkgever. Volgens gedaagde is appellant, gezien het aangeduide incident, uit dit dienstverband verwijtbaar werkloos geworden. Dientengevolge is hem de WW-uitkering terecht blijvend geheel geweigerd.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Gedaagde heeft in het bestreden besluit toepassing gegeven aan de artikelen 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, in verbinding met het tweede lid, onder a, van deze bepaling. Ingevolge deze artikelen dient de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Voorts heeft gedaagde artikel 27, eerste lid, van de WW toegepast, waarin is bepaald dat, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, van de WW opgelegd, niet is nagekomen, gedaagde de uitkering blijvend geheel moet weigeren, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert gedaagde de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft gedaagde geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de werkloosheid appellant niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2. Tussen partijen is uitsluitend in geschil de vraag (i) of gedaagde terecht en op goede gronden heeft aangenomen dat appellant zich met betrekking tot zijn dienstbetrekking bij de werkgever verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben en, (ii) zo dat het geval zou zijn of het niet nakomen van de desbetreffende verplichting appellant niet in overwegende mate kan worden verweten. Naar vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “verwijtbaar” in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW verstaan “verwijtbaar jegens de werkgever”.

4.3. De Raad beantwoordt reeds het eerste gedeelte (i) van die vraag ontkennend, zodat hij niet toekomt aan de beantwoording van het tweede gedeelte (ii) ervan.

4.3.1. Ingevolge de artikelen 3:2 en 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behoort gedaagde bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen en dient hij op de grondslag van het bezwaar tegen het zogenoemde primaire besluit te beslissen. Aan deze voorschriften dient gedaagde in gevallen als het onderhavige, zoals de Raad vaker heeft overwogen, nauwgezet te voldoen, gezien het verplichtende karakter van artikel 27, eerste lid, van de WW.

4.3.2. In het in eerste aanleg door gedaagde ingezonden verweerschrift blijkt dat gedaagde zich bij de besluitvorming die heeft geleid tot het bestreden besluit heeft gebaseerd op de gedingstukken, waarbij hij met name het rapport heeft genoemd dat op 7 januari 2003 is gemaakt van een telefoongesprek van een medewerker van gedaagde met een bedrijfsleider van de werkgever. Deze bedrijfsleider heeft verklaard dat appellant gescholden, geduwd en gespuwd heeft waardoor hij problemen heeft veroorzaakt in de collegiale sfeer ten gevolge waarvan de arbeidsovereenkomst niet kon worden voortgezet.

4.3.3. In het kader van de bezwaarprocedure heeft appellant correspondentie tussen zijn raadsman en de werkgever overgelegd waaruit blijkt dat appellant zich op het standpunt stelt dat er weliswaar sprake is geweest van een ruzie, maar dat hij met klem ontkent die de ruzie te zijn begonnen. Voorts heeft hij gesteld dat de functie van nachtportier nu eenmaal onvermijdelijk met zich brengt dat er soms een ruzieachtige situatie ontstaat bij de verwijdering van ongewenste gasten, zoals hier aan de orde was. Naar aanleiding van deze correspondentie is het ontslag op staande voet ingetrokken en zijn appellant en de werkgever tot een financieel vergelijk gekomen, dat appellant als gunstig voor hem beschouwt, waarbij tevens een rol speelde dat appellant reeds een nieuwe werkkring had gevonden bij Hotel Torenzicht. Voorts heeft de werkgever een getuigschrift afgegeven waarin is vermeld dat appellant vanaf de datum van indiensttreding tot de laatste werkdag de door hem uit te voeren werkzaamheden tot volle tevredenheid heeft verricht. In hoger beroep heeft appellant daaraan onbestreden toegevoegd dat er een worsteling is ontstaan met de bedoelde klant, wiens verwijdering volgens appellant noodzakelijk was, en niet met zijn collega. Verder heeft hij eveneens onbetwist aangevoerd dat, anders dan waarvan het bestreden besluit lijkt uit te gaan, hij niet geslagen heeft.

4.3.4. De Raad is van oordeel dat hetgeen appellant in de bezwaarprocedure hieromtrent naar voren heeft gebracht, uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit, aan de werkgever had moeten worden voorgehouden, teneinde op genoegzame feitelijke gronden vast te kunnen stellen of appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van de in 4.1. vermelde bepalingen. Nu de werkgever niet nader is geconfronteerd met appellants opvatting dienaangaande, terwijl de bedoelde correspondentie aanknopingspunten biedt voor het standpunt dat de werkgever appellants gedrag minder hoog opneemt dan uit het aanvankelijk gegeven ontslag op staande voet zou kunnen blijken dan wel dat dat ontslag niet voorzienbaar was, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit genomen is in strijd met de in de eerste zin van 4.3.1. genoemde bepalingen van de Awb.

4.3.5. De Raad komt tot de conclusie dat de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking.

4.4. Appellant heeft op grond van artikel 8:73 van de Awb de Raad verzocht gedaagde te veroordelen in de schade die hij zou hebben geleden. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan. Gedaagde zal een nader besluit moeten nemen. Omdat nog niet vaststaat hoe het nadere besluit zal gaan luiden, ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken.

5. De Raad zal gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordelen in de proceskosten van appellant, welke in eerste aanleg € 644,-- bedragen aan kosten van rechtsbijstand, en in hoger beroep € 644,--, eveneens aan kosten van rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beide instanties betaalde griffierecht van in totaal € 133,-- (€ 31,-- + € 102,--) voldoet.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. C.G.M. van Rijnberk als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x