Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU8261
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Eindiging van het recht op WW-uitkering omdat betrokkene over de uren in geding zijn hoedanigheid als werknemer heeft verloren. Herziening en terugvordering van de WW-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/2683 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op de bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Middelburg onder dagtekening 6 april 2004 tussen partijen gegeven uitspraak, reg.nr. Awb 03/608, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de rechtbank de uitspraak d.d. 23 december 2003 in de zaak met reg.nr. 03/284 WAO aan de Raad toegezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 oktober 2005, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


1.0. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Ingaande 4 september 2002 is gedaagde een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van ongeschiktheid van 15 tot 25% toegekend en daarnaast een WW-uitkering gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 37.50.
Gedaagde heeft zich aangemeld voor indicatie ingevolge de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). In dat kader heeft in de periode van 19 mei 2003 tot en met 6 juni 2003 ten behoeve van gedaagde een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden in de vorm van een praktijk- en observatieperiode om vast te stellen of gedaagde tot de doelgroep behoort. De uren dat gedaagde in die weken bij Dethon onbetaald werkzaamheden heeft verricht, te weten 20, 24 en 32 uur, heeft hij op zijn werkbriefjes vermeld.

1.2. Bij besluit van 23 juni 2003 heeft appellant het recht op WW-uitkering voor het door gedaagde genoemde aantal uren herzien en de aldus onverschuldigd betaalde uitkering van gedaagde teruggevorderd. Appellant legt aan de herziening ten grondslag dat appellant over die uren niet werkloos was.

1.3. Bij besluit van 22 september 2003 (het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2003 ongegrond verklaard, thans het standpunt innemend dat het recht op uitkering ingevolge artikel 20, eerste lid, onder a, van de WW in verbinding met het tweede lid van dat artikel is geŽindigd omdat gedaagde over die uren zijn hoedanigheid als werknemer heeft verloren.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd. Daartoe is overwogen dat de door gedaagde verrichte werkzaamheden niet kunnen worden beschouwd als arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee geldelijk voordeel wordt verkregen dan wel kan worden verwacht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de door gedaagde in de onderhavige periode verrichte werkzaamheden uitsluitend betrekking hebben gehad op de vraag of hij tot de doelgroep als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsw behoort. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat gedaagde naar de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs beloning voor dergelijke werkzaamheden had kunnen verwachten.

2.2. Appellant kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank en stelt in hoger beroep nog aanvullend dat op grond van artikel 20, eerste lid, onder b, in verbinding met artikel 20, vierde lid, aanhef en onder a, en artikel 20, vijfde lid, aanhef en onder a, van de WW het recht op uitkering is geŽindigd voor de uren dat gedaagde werkzaamheden als werknemer heeft verricht. Daarbij wordt opgemerkt dat artikel 20 van de WW niet de eis stelt dat de werkzaamheden die worden verricht, daadwerkelijk beloond dienen te worden.

2.3. Gedaagde stelt zich achter het oordeel van de rechtbank en wijst er verder op dat de desbetreffende werkzaamheden door hem niet zijn verricht als werknemer.

3.1. In hoger beroep ligt de vraag voor of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. Gelet op de gedingstukken en de standpunten van partijen dient daartoe in de eerste plaats de vraag te worden beantwoord of de werkzaamheden die gedaagde bij Dethon verrichtte, voldoen aan het volgens vaste rechtspraak geldende criterium dat zij moeten worden aangemerkt als arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht.

3.2. Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat die werkzaamheden uitsluitend worden verricht met het oog op de in artikel 11 van de Wsw bedoelde vaststelling of gedaagde tot de doelgroep behoort. Met het verrichten van die werkzaamheden tijdens de praktijk- en observatieperiode wordt niet als tegenprestatie een geldelijk voordeel beoogd. Voorts acht de Raad het evident dat volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen beloning niet kan worden verwacht. Overigens ontbreekt aan appellants standpunt ook iedere motivering.

3.3. De rechtbank heeft het bestreden besluit derhalve terecht en op goede gronden vernietigd. Het in hoger beroep nader ingenomen standpunt van appellant zal de Raad bezien in het kader van de vraag of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. Ook die vraag beantwoordt de Raad ontkennend.

3.4. Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst binnen welk kader gedaagde de werkzaamheden tijdens de praktijk- en observatieperiode voor Dethon verrichtte, is in de gedingstukken geen enkel aanknopingspunt te vinden. Die werkzaamheden werden nu juist verricht teneinde te bezien of in de toekomst een arbeidsovereenkomst zou kunnen worden afgesloten. Ook het element dat loon overeengekomen is, ontbreekt. Derhalve kan niet worden gezegd dat gedaagde die werkzaamheden als werknemer heeft verricht en het recht op WW-uitkering op die grond (gedeeltelijk) is geŽindigd.

4.1. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.2. De Raad acht termen aanwezig om appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op Ä 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de kosten van gedaagde, begroot op Ä 322,--, te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Gelast dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht wordt geheven van Ä 414,-- .

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 december 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x