Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU8262
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Korting op de WW-uitkering in verband met een tijdelijke aanstelling.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/2691 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht op 30 maart 2004, nr. SBR 03/334, LJN AO8955, RSV 2002/238, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. E.J. Bek, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V., een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 oktober 2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door J.H.J. van Gastel, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bek voornoemd.




II. MOTIVERING


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2. Gedaagde is sinds 1980 werkzaam bij de Stichting [naam stichting], laatstelijk voor 13 uur en 50 minuten per week. Van 7 januari 2002 tot 20 juli 2002 was zij daarnaast werkzaam bij de Stichting [naam stichting 2] voor 17 uur per week. Na afloop van laatstgenoemd dienstverband heeft appellant aan gedaagde een uitkering krachtens de WW toegekend, berekend naar een arbeidsurenverlies van 17 uur per week. Per 2 september 2002 is gedaagde begonnen op een tijdelijke aanstelling tot 1 augustus 2003 voor 4 uur en 37 minuten per week bij het Bestuur [naam bestuur]. Bij besluit van 17 oktober 2002 heeft appellant in verband daarmee de aan gedaagde toegekende WW-uitkering gekort met 4 uur en 37 minuten. Bij besluit van 7 januari 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 17 oktober 2002 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens heeft zij daarbij bepaald dat appellant het door gedaagde betaalde griffierecht dient te vergoeden en appellant veroordeeld tot vergoeding aan gedaagde van de proceskosten en de door gedaagde gevorderde schade. Aan die beslissingen lag het oordeel van de rechtbank ten grondslag dat appellant in het voorliggende geval ten onrechte was overgegaan tot een korting naar de omvang van de aanstelling waarin gedaagde had hervat, omdat toepassing had moet worden gegeven aan artikel 35 van de WW, welke bepaling meebrengt dat een korting had moeten worden opgelegd van 70% van hetgeen gedaagde in haar nieuwe dienstbetrekking verdiende. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de formulering van artikel 35 van de WW -met name: de woorden ‘gaat verrichten’- kan worden afgeleid dat slechts de nieuw gewerkte uren van belang zijn en dat dat betekent dat de uren die gedaagde voor en na de toekenning van de WW-uitkering in een ander dienstverband heeft gewerkt niet meetellen. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de uren die gedaagde heeft gewerkt voor de Stichting [naam stichting] ook niet hebben meegeteld voor de met ingang van 22 juli 2002 aan gedaagde toegekende WW-uitkering.

4. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 35 van de WW had moeten worden toegepast. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat uit de systematiek van de artikelen 20, eerste lid, aanhef en onder b, en vierde lid, alsmede 16, tweede lid, van de WW volgt dat voor de vaststelling van de omvang van het recht op WW steeds het arbeidsurenverlies dient te worden berekend door het afzetten van de op een bepaald moment gewerkte uren tegen het vastgestelde gemiddelde aantal arbeidsuren (het zogenoemde g.a.a.), zodat ook de uren waarin gedaagde steeds werkzaam gebleven is in de beschouwing dienen te worden betrokken. Per 2 september 2002 was het arbeidsurenverlies nog slechts 12 uur en 23 minuten: het vastgestelde g.a.a. (30 uur en 50 minuten) minus de uren waarin gedaagde werkzaam is gebleven (13 uur en 50 minuten) en de nieuwe uren (4 uur en 37 minuten). Omdat gedaagde per 2 september 2002 in totaal meer dan vijf uur per week werkzaam was, heeft de rechtbank naar de opvatting van appellant ten onrechte geoordeeld dat aan artikel 35 van de WW toepassing diende te worden gegeven.

5.1. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.

5.2. De Raad kan zich stellen achter het oordeel van de rechtbank en achter de door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Daarnaast overweegt hij nog het volgende.

5.3. In artikel 20, vierde lid, aanhef en onder a, van de WW wordt bepaald dat het recht op uitkering gedeeltelijk wordt beëindigd indien de werknemer al dan niet opeenvolgend ten minste vijf of de helft van zijn arbeidsuren arbeid als werknemer verricht en er nog een verlies aan arbeidsuren resteert van ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16. De Raad is, anders dan appellant, van oordeel dat de wetgever bij deze bepaling het oog heeft gehad op nieuw gewerkte uren, dat wil zeggen de uren waarin na de toekenning van een WW-uitkering als werknemer wordt hervat. Gelet op de systematiek van de desbetreffende bepalingen, is de Raad van oordeel dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de vaststelling van de omvang van het recht als om toekenning van een WW-uitkering is verzocht enerzijds en de herziening van de uitkering als de betrokkene na de toekenning van een WW-uitkering in een nieuw dienstverband als werknemer gaat werken anderzijds. Bij de vaststelling van de omvang van het recht is de omvang waarin de werknemer voor (en na) de toekenning van een WW-uitkering als werknemer werkzaam is - in het geval van gedaagde: 30 uur en 50 minuten - van belang, omdat het arbeidsurenverlies moet worden afgezet tegen het g.a.a. Het g.a.a. wordt vastgesteld op basis van de vóór het intreden van het arbeidsurenverlies gemiddeld als werknemer gewerkte uren per week in een periode van 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van het arbeidsurenverlies. Als een werknemer aan wie een WW-uitkering is toegekend ná die toekenning als werknemer gaat hervatten, heeft dat gevolgen voor die uitkering. Uit artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW volgt dat het recht op uitkering eindigt voor zover die werknemer niet langer werkloos is. Uit de woorden ‘voor zover’ volgt dat deze eindiging van rechtswege ook een gedeeltelijke eindiging van het recht op WW kan inhouden en in het vierde lid van artikel 20 van de WW wordt bepaald onder welke voorwaarden van een gedeeltelijke eindiging van het recht sprake is, in welk kader het g.a.a. weer van belang is. Van een gedeeltelijke eindiging van rechtswege van het recht op WW is pas sprake, zo dient laatstbedoelde bepaling naar het oordeel van de Raad te worden begrepen, met ingang van het moment waarop de werknemer (al dan niet opeenvolgend) ten minste vijf of de helft van zijn g.a.a. arbeid als werknemer verricht, hetgeen meebrengt dat als de werknemer na de toekenning van een WW-uitkering werkzaamheden als werknemer gaat verrichten die beneden laatstbedoeld aantal blijven -hetgeen in het geval van gedaagde aan de orde is-, er nog geen sprake kan zijn van een gedeeltelijke eindiging van het recht. In die situatie dient ook naar het oordeel van de Raad toepassing te worden gegeven aan artikel 35 van de WW.

5.4. Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht in verband met het vorenoverwogene termen aanwezig om appellant te veroordelen in de kosten van gedaagde in hoger beroep, welke zijn begroot op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 414,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 december 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x