Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU8271
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht besloten dat betrokkene niet meer verzekerd is voor de werknemersverzekeringen omdat er geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en de arbeidsverhouding daarmee vanwege de familieverhoudingen ook niet kan worden gelijkgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/4927 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem op 26 juli 2004, nr. Awb 03-1664 WW, tussen partijen gegeven uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 oktober 2005, waar appellant - met voorafgaand bericht - niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellant is sinds 1 juli 1997 werkzaam voor [naam BV 1]. Van deze B.V. is [BV 2] statutair bestuurder. Appellants echtgenote is vanaf 20 juli 1999 statutair bestuurder en enig aandeelhouder van [BV 2]. Op 1 juli 2002 is tussen [naam BV 1] en appellant een arbeidsovereenkomst gesloten voor onbepaalde tijd, met ingang van 1 januari 1999.

Bij besluit van 4 december 2001 heeft gedaagde [naam BV 1] meegedeeld dat appellant met ingang van 20 juli 1999 niet meer verzekerd is voor de werknemersverzekeringen. Daarbij is overwogen dat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en de arbeidsverhouding daarmee vanwege de familieverhoudingen ook niet kan worden gelijkgesteld. Het hiertegen namens appellant ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 30 maart 2004 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn waarbinnen bezwaar moet worden gemaakt. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft appellant geen beroep bij de rechtbank ingesteld, zodat deze beslissing in rechte onaantastbaar is geworden.

Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2002 is [naam BV 1] in staat van faillissement verklaard.

Appellant heeft op 8 oktober 2002 een aanvraag om overname van de loonbetalingsverplichting bij gedaagde ingediend. Bij besluit van 14 mei 2003 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen namens appellant ingediende bezwaarschrift is bij het bestreden besluit van 28 augustus 2003 ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat appellant wegens het ontbreken van een gezagsrelatie geen werknemer is in de zin van artikel 3 van de WW en daarom niet verzekerd is voor de WW. Volgens gedaagde heeft appellant daarom geen recht op overname van loonbetaling als bedoeld in hoofdstuk IV van de WW.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep voert appellant aan dat gedaagde bij het bestreden besluit niet heeft kunnen verwijzen naar het besluit van 4 december 2001, omdat dat besluit niet aan hem bekend is gemaakt en hij daarvan ook anderszins niet op de hoogte is geraakt. Volgens appellant heeft gedaagde het ontbreken van een gezagsverhouding onvoldoende onderbouwd en is het bestreden besluit om die reden onvoldoende gemotiveerd. Appellant betoogt dat er wel een gezagsrelatie bestond tussen hem en [naam BV 1] en wijst er hierbij op dat hij een normale beloning ontving, dat hij zich voor zijn werkgever beschikbaar moest houden, de werkzaamheden persoonlijk moest verrichten en deze niet kon weigeren, dat hij geen feitelijke machtspositie had en dat zijn echtgenote zelf in de B.V. werkzaam was en daarvoor ook een beloning ontving.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt vast dat na de sluiting van het onderzoek ter zitting en voorafgaand aan de uitspraak van de rechtbank door gedaagde een brief van 11 mei 2004 met bijlage aan de rechtbank is toegezonden. In een geval als het onderhavige, waarin na de sluiting van het onderzoek gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, staat het de rechter slechts met toestemming van partijen vrij de zaak zonder nadere zitting af te doen. In het onderhavige geval heeft de rechtbank niet om een dergelijke toestemming verzocht, terwijl partijen die toestemming ook niet anderszins hebben gegeven. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak wegens strijd met artikel 8:64, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.
Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal hij de zaak zonder terugwijzing afdoen.

De Raad dient vervolgens te beoordelen of gedaagde bij het bestreden besluit terecht geweigerd heeft de (gestelde) betalingsverplichtingen van [naam BV 1] jegens appellant over te nemen. Deze vraag beantwoordt de Raad, evenals de eerste rechter, bevestigend.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde, onder verwijzing naar het besluit van 4 december 2001 en de daaraan ten grondslag liggende, op door appellant zelf verstrekte gegevens gebaseerde, rapportage van inspecteur buitendienst E. Meijer, overwogen dat appellant in de aan de orde zijnde periode niet in een gezagsrelatie stond tot [naam BV 1] en om die reden niet als werknemer in de zin van de WW kan worden aangemerkt. De Raad kan zich met dit oordeel van gedaagde en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen verenigen. Hetgeen daartegen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad heeft geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de inspecteur buitendienst - die overigens grotendeels overeenkomen met de door de Belastingdienst vastgestelde feiten - en meent dat op basis daarvan kan worden aangenomen dat de werkzaamheden van de echtgenote van appellant zich hooguit tot een minimum beperkten, dat appellant de feitelijke leiding over het bedrijf had en zich zowel naar binnen als naar buiten toe als zodanig presenteerde, dat hij zelf zijn werkzaamheden en werktijden bepaalde en niet gehouden was instructies op te volgen. Naar het oordeel van de Raad kan onder deze omstandigheden van het bestaan van een gezagsverhouding niet worden gesproken. Dit leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en evenmin van een daarmee gelijk te stellen arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5 van de WW. Appellant is daarom geen werknemer in de zin van de WW en daarmee ook niet verzekerd voor een uitkering op grond van hoofdstuk IV van deze wet. Dat de Belastingdienst een ander oordeel heeft ingenomen omtrent het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, doet aan het voorgaande niet af.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het bestreden besluit kan echter in stand blijven, zodat de Raad het beroep ongegrond zal verklaren.

De Raad ziet aanleiding gedaagde onder toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- aan kosten van rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 102,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005.

(get.) H. Bolt

(get.) S. l’Ami.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x