Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU8569
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene heeft een WAZ-uitkering. Na tijdelijk werk is een WW-uitkering aangevraagd en toegekend. Samenloop WAZ-WW-uitkering. Intrekking van de WW-uitkering met inachtneming van een uitlooptermijn van zes maanden.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/2932 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Door appellant is hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Assen onder nummer 03/946 WW op 16 april 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 november 2005, waar appellant, met bericht, niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.M. Snippe, medewerker bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding in aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellant, geboren in 1948, is in het genot van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2002 is appellant op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werkzaam geweest voor [naam werkgever] te [vestigingsplaats] in de functie van account manager. Appellant heeft op 10 juli 2002 een WW-uitkering per 1 juli 2002 aangevraagd.

Bij besluit van 11 september 2002 heeft gedaagde die aanvraag afgewezen onder de overweging dat appellant recht heeft op een volledige WAZ-uitkering. Het daartegen gerichte bewaar heeft gedaagde bij besluit van 8 november 2002 gegrond verklaard en appellant alsnog de gevraagde WW-uitkering toegekend. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat appellant, gelet op artikel 19, vierde lid, van de WW, verzekerd was voor de WW en om die reden recht had op een WW-uitkering. Gedaagde heeft daarbij tevens aangegeven dat de duur van de uitkering maximaal vijf jaar bedraagt.

Gedaagde heeft bij besluit van 12 juni 2003 geconcludeerd dat de toekenning van de WW-uitkering ten onrechte was geschied omdat het ontvangen van een WAZ-uitkering niet toestaat dat een WW-uitkering wordt toegekend terwijl de uitzondering in artikel 19, vierde lid, van de WW niet op appellant van toepassing is. Om die reden heeft gedaagde de WW-uitkering ingetrokken. Gedaagde heeft daarbij rekening gehouden met het feit dat appellant door het eerdere onjuiste besluit van 8 november 2002 verkeerd was geļnformeerd en heeft daarom een uitlooptermijn van zes maanden vanaf zijn kennisgeving d.d. 3 mei 2003 in acht genomen, hetgeen betekende dat de WW-uitkering per 5 november 2003 werd ingetrokken. De daartegen gerichte bezwaren heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 23 oktober 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW zoals dat artikel luidde ten tijde in geding, in de wet op te nemen en dat hij dient te profiteren van de wijziging van dat artikel per 1 januari 2004. Appellant stelt voorts dat toepassing van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, zoals dat artikel per 1 januari 2004 luidt, in ieder geval meebrengt dat hem per 1 januari 2004 een recht op een WW-uitkering toekomt. Appellant heeft voorts betoogd dat de hem gegunde uitlooptermijn niet in overeenstemming is met de duur van het recht waarop hij in beginsel aanspraak meende te hebben.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, heeft de werknemer die een uitkering ontvangt op grond van de WAZ, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, geen recht op een WW-uitkering.
Per 1 januari 2004 is artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW gewijzigd en is thans bepaald dat geen recht op uitkering heeft de werknemer die een uitkering ontvangt op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een uitkering ontvangt die naar aard en strekking met die uitkering overeenkomt. Aan de inwerkingtreding van die wijziging is geen terugwerkende kracht toegekend, hetgeen volgt uit de artikelen XXIX van de Verzamelwet sociale verzekeringen 2003 in samenhang met het Besluit van 19 december 2003 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Verzamelwet sociale verzekering 2003, Staatsblad 2003, 545. Mede gelet op de uitdrukkelijke keuze van de wetgever om aan deze wijziging geen terugwerkende kracht toe te kennen, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat in casu de uitsluitingsgrond uit artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede van de WW, zoals die luidde tot 1 januari 2004, niet van toepassing zou zijn. Dat appellant per 1 januari 2004 wel een recht op WW-uitkering zou hebben - wat daar verder ook van zij - staat in dit geding niet ter beoordeling en maakt dit overigens niet anders.
Met de rechtbank is de Raad ten slotte van oordeel dat gedaagde met het toekennen van een uitlooptermijn van zes maanden onverkorte WW-uitkering, op een voldoende zorgvuldige wijze rekening heeft gehouden met het niet-voorzienbaar wegvallen van de WW-uitkering waar gedaagde eerder de indruk had gevestigd dat appellant gedurende een periode van vijf jaar recht had op die uitkering.

Het hoger beroep slaagt niet. De Raad acht geen termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten.

Beslist dient derhalve te worden als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 december 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x