Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU8573
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht geoordeeld dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW en dat in verband hiermee de uitkering terecht blijvend geheel is geweigerd?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/916 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 19 januari 2004, nr. AWB 03/63 WW, tussen partijen gegeven uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft gedaagde bij brief van 27 mei 2005 een aanvullend stuk ingezonden.

Desgevraagd heeft de Minister van Justitie medegedeeld niet als belanghebbende aan het geding te zullen deelnemen.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 oktober 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, terwijl gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.H.J. van Gastel, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Appellant was sedert 1 oktober 1996 werkzaam bij de rijksinrichting ’Eikenstein-De Lindenhorst’ te Zeist, laatstelijk vanaf 1 januari 2000 in de functie van groepsleider. Bij besluit van 18 oktober 2001, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 mei 2002, is hem met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement met ingang van 1 februari 2002 eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de uitoefening van zijn functie als groepsleider, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, omdat hij een privé-relatie onderhield met een pupil van genoemde inrichting. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 9 april 2003 door de rechtbank Arnhem ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 juli 2004, nr. 03/1460 AW, LJN AP8227, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Appellant heeft op 5 februari 2002 bij gedaagde een aanvraag om toekenning van een uitkering ingevolge de WW ingediend. Bij besluit van 6 mei 2002, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 december 2002 (het bestreden besluit), heeft gedaagde bij wijze van maatregel de uitkering met ingang van 1 februari 2002 blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en er geen feiten of omstandigheden zijn aan te wijzen die in de situatie van appellant tot verminderde verwijtbaarheid leiden. Daartoe is overwogen dat uit een intern onderzoek door de werkgever is gebleken dat appellant gedurende een langere periode een privé-relatie heeft gehad met een pupil. Daarmee heeft hij in strijd gehandeld met het ‘Protocol ongewenste intimiteiten/seksueel misbruik van jongeren door medewerk(st)er Eikenstein-De Lindenhorst’ op grond waarvan het niet is toegestaan privé-relaties met pupillen te hebben, en met de circulaire van de Minister van Justitie van 30 juli 1999, kenmerk 77987/1/99/DJI, waarin gedragsregels zijn opgenomen voor personeel in justitiële inrichtingen. Door het aangaan van die relatie en vervolgens de werkgever hiervan niet in kennis te stellen heeft appellant volgens gedaagde bewust het risico aanvaard dat dit gedrag vrijwel zeker het einde van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou hebben.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant had moeten begrijpen dat het onaanvaardbaar was om - zonder daarvan melding te doen aan zijn leidinggevende - een privé-relatie aan te gaan met een pupil, althans iemand die tot voor zeer kort dat de relatie een aanvang nam aan zijn leiding was toevertrouwd, en dat hij tevens had moeten voorzien dat deze gedragingen het in hem gestelde vertrouwen zodanig zou aantasten en dat er geen reëel alternatief bestond dan ontslag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Van omstandigheden die duiden op verminderde verwijtbaarheid, of van dringende redenen op grond waarvan gedaagde had dienen te besluiten af te zien van het opleggen van een maatregel, is de rechtbank niet gebleken.

Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden onder herhaling van de gronden die hij in bezwaar en vervolgens in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd en die er op neer komen dat hij gelet op de omstandigheden van het geval niet verwijtbaar werkloos geacht kan worden. Voorts heeft hij aangevoerd dat de maatregel tot blijvend gehele weigering van de WW-uitkering als het ontnemen van een ‘possession’ in de zin van het Eerste Protocol behorende bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient te worden beschouwd, waarbij geen sprake is van evenredigheid tussen doel en middel.

De Raad overweegt het volgende.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank terecht het standpunt van gedaagde heeft onderschreven dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW en of in verband hiermee de uitkering terecht blijvend geheel is geweigerd.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen eerder is aangevoerd geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten, terwijl hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad wordt onderschreven. Daaraan voegt de Raad het volgende toe.

Ook naar het oordeel van de Raad had appellant dienen te begrijpen dat het aangaan en verzwijgen van een privé-relatie met een pupil, die onder zijn leiding heeft gestaan, een gedraging opleverde die tot beëindiging van zijn dienstbetrekking zou kunnen leiden. Met gedaagde is de Raad van oordeel dat van een werknemer in de positie van appellant met een langdurige werkervaring in de jeugdhulpverlening, waarbij wordt gewerkt met een kwetsbare groep jongeren, een professionele invulling van de functie mag worden verlangd, waarbij werk- en privé-relaties strikt gescheiden dienen te worden gehouden. Doordat appellant een privé-relatie met een pupil is aangegaan en hij hiervan geen melding heeft gedaan aan zijn leidinggevende heeft appellant de gedragsregels geschonden, zoals neergelegd in het ‘Protocol ongewenste intimiteiten/seksueel misbruik van jongeren door medewerk(st)er Eikenstein-De Lindenhorst’ en evengenoemde circulaire van 30 juli 1999. Gelet op de aard van zijn functie en de in verband daarmee opgestelde gedragsregels had appellant naar het oordeel van de Raad moeten dan wel kunnen begrijpen dat zijn gedragingen door zijn werkgever niet zouden worden geaccepteerd en dat dit tot ontslag zou kunnen leiden. In de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van appellant ziet de Raad geen grond gelegen om aan te nemen dat het gedrag van appellant hem niet in overwegende mate kan worden verweten.

Wat betreft het beroep van appellant op schending van het Eerste Protocol bij het EVRM volstaat de Raad met een verwijzing naar de overwegingen in zijn uitspraak van 16 augustus 2000, LJN AA6990, USZ 2000, 253. Daaruit vloeit voort dat deze grief niet kan slagen.

Naar aanleiding van hetgeen door appellant ter zitting is aangevoerd met betrekking tot schending van algemene rechtsbeginselen - zoals het una via beginsel, het ne bis in idem beginsel en het nemo debet bis vexari beginsel - overweegt de Raad dat het beroep hierop niet kan slagen, reeds omdat de Raad aanneemt dat de maatregel van blijvend gehele weigering van de WW-uitkering niet kan worden beschouwd als een strafsanctie zodat genoemde beginselen toepassing missen.

De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Tenslotte acht de Raad geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 december 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x