Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU9699
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vertrouwensbreuk. Ontslag. Weigering WW-uitkering. De werkloosheid was voorzienbaar. Redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/3520 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen onder nummer Awb 03/1014 WW, op 9 juni 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 28 september 2005, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Deuzen voornoemd, terwijl gedaagde zich - met bericht - niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat dit geding wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Appellant, geboren in 1962, is in 1994 in dienst getreden van de [werkgever] (hierna: [werkgever] of: werkgever) te Groningen. Ten tijde in geding bekleedde hij de functie van medewerker automatisering 2. Op 30 augustus 2001 heeft appellant aan zijn collega’s een e-mail gestuurd waarin hij onder meer te kennen gaf dat de collega’s als vanouds bij hem terecht konden met alle vragen op het gebied van automatisering. In dikgedrukte en grotere letters heeft hij daaraan toegevoegd: “Met uitzondering van het binnen [werkgever] gehanteerde Sybes-systeem”. Op 12 september 2001 heeft appellant in een vergadering waar het Sybes-systeem aan de orde kwam verteld hoe hij in Suriname als rechercheur betrokken was bij de opsporing van de handel in verdovende middelen, waarbij bleek dat zijn leidinggevenden mede in die handel waren betrokken. In ieder geval één van de de aanwezigen heeft dit opgevat als een beschuldiging van corruptie van de algemeen directeur en heeft de algemeen directeur daarvan in kennis gesteld.
Naar aanleiding hiervan heeft appellant nog dezelfde dag een gesprek gehad met de algemeen directeur van [werkgever]. Nadien hebben nog diverse gesprekken met de werkgever plaatsgevonden. Op 7 februari 2002 is appellant de toegang tot het werk ontzegd en is hij, onder hantering van artikel 55 van de toepasselijke CAO, op non-actief gesteld. Op 7 maart 2002 heeft de werkgever zich gericht tot de kantonrechter met het verzoek om de arbeidsovereenkomst met appellant te ontbinden. Op 21 maart 2002 heeft de werkgever appellant op staande voet ontslagen.

1.2. Op 28 maart 2002 heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd.

1.3. Bij beschikking van 18 april 2002 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 mei 2002. De kantonrechter heeft daarbij geen aanleiding gezien appellant een vergoeding toe te kennen omdat appellant naar het oordeel van de kantonrechter van de verstoring van de arbeidsrelatie in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt.

2. Bij besluit van 18 juni 2002 heeft gedaagde, onder verwijzing naar het oordeel van de kantonrechter, geweigerd appellant een WW-uitkering toe te kennen. Nadat appellant daartegen bezwaren had ingediend, heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 8 september 2003, zijn standpunt gehandhaafd en de WW-uitkering blijvend geheel geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Gedaagde heeft daartoe overwogen dat appellant op 12 september 2001 tijdens het ochtendoverleg desgevraagd niets over het Sybes-systeem wilde zeggen, maar een verhaal vertelde over corruptie bij zijn vorige baan, waarbij superieuren betrokken zouden zijn. Diverse mensen hadden dit verhaal volgens gedaagde opgevat als een beschuldiging aan het adres van de algemeen directeur. Dit verhaal zou volgens gedaagde kunnen worden opgevat als het in het openbaar in twijfel trekken van de integriteit van de algemeen directeur. Naar de mening van gedaagde heeft appellant vervolgens onvoldoende getracht om een en ander recht te zetten. Gedaagde heeft voorts overwogen dat de e-mail van 30 augustus 2001 de moeilijke verstandhouding nog verder onder druk zette. Gedaagde heeft geen aanleiding gezien om de werkloosheid niet in overwegende mate verwijtbaar te achten. Gedaagde heeft tenslotte overwogen dat de lange duur van de procedure niet dusdanig in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dat de maatregel van blijvend gehele weigering achterwege zou moeten blijven.

3.1. Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, met gedaagde, overwogen dat appellant door direct of indirect in alle openheid de integriteit van de werkgever in twijfel te trekken, een vertrouwenscrisis in het leven heeft geroepen waardoor er gewichtige redenen voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ontstaan.

3.2. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het appellant van meet af aan bekend was dat gedaagde bezig was met een onderzoek naar zijn recht op een WW-uitkering en dat gedaagde er sinds juni 2002 geen twijfel over heeft laten bestaan dat de gevraagde WW-uitkering blijvend geheel geweigerd was. Appellant heeft volgens de rechtbank nimmer WW-betalingen ontvangen en in zijn richting zijn nimmer uitlatingen gedaan die de verwachting bij hem zouden kunnen wekken dat hij wel uitbetaling van de uitkering zou gaan krijgen. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank van schending van artikel 6 van het EVRM geen sprake zijn.

4. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij de algemeen directeur nooit heeft beschuldigd van financiële belangenverstrengelingen, dat de gevolgen van zijn uitlatingen over corruptie in Suriname niet waren te voorzien en dat hetgeen hij in de vergadering van 12 september 2001 naar voren heeft gebracht, gekleurd aan de leidinggevende is doorgegeven. Appellant benadrukt dat zijn houding niet meer is, dan die van een kritisch ondernemingsraadlid. Appellant wijst er voorts op dat slechts een deel van het volledige dossier aan de rechtbank is gezonden, hetgeen er volgens appellant op duidt dat er geen sprake is geweest van een volledige heroverweging. Daarbij wijst appellant er op dat gedaagde in het bestreden besluit twee eerder genoemde verwijten heeft laten vallen, hetgeen volgens appellant met zich brengt dat gedaagde, zo er sprake is van verwijtbare werkloosheid, in ieder geval moet aannemen dat die werkloosheid niet in overwegende mate kan worden verweten. Tenslotte heeft appellant herhaald dat de duur van de procedure in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Ter zitting heeft appellant aangegeven dat dit verwijt slechts ziet op de tijd die gedaagde heeft genomen om tot het bestreden besluit te komen.

5. Gedaagde heeft in verweer aangegeven zich volledig te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank en heeft zijn eerder ingenomen standpunt herhaald.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant door het vertellen van het verhaal over de corruptie in zijn vorige werkkring in ieder geval de suggestie heeft gewekt ernstig te twijfelen aan de integriteit van zijn leidinggevende. Mede gelet op het feit dat appellant zich voordien reeds in negatieve zin over het Sybes-systeem had uitgelaten, had appellant moeten begrijpen dat zijn opmerkingen in het overleg van 12 september 2001 tot een vertrouwensbreuk konden leiden, hetgeen vervolgens ook daadwerkelijk is geschied. De Raad onderschrijft niet de stelling van appellant dat hij kritische vragen stelde of dat zijn opstelling er een was van een kritisch ondernemingsraadlid. Uit het vertelde verhaal, dat duidelijke en beschuldigende implicaties in de richting van de leidinggevende bevatte, kan niet een kritische houding ten opzichte van het automatiseringssysteem worden afgeleid. Daaraan kan niet afdoen dat, zoals door appellant gesteld, het verhaal door een groot aantal betrokkenen niet als beschuldigend is opgevat. De Raad is dan ook van oordeel dat de uiteindelijk daaropvolgende werkloosheid voorzienbaar was. Daarbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellant, toen hem de reactie op zijn verhaal duidelijk werd, heeft nagelaten om daarvan op overtuigende en ondubbelzinnige wijze afstand te nemen.

6.2. Het is de Raad niet gebleken dat het door gedaagde verrichte onderzoek onvolledig is geweest. Voorzover gedaagde een selectie uit de stukken heeft gepleegd, is het de Raad niet gebleken dat gedaagde aldus relevante informatie niet in de heroverweging heeft betrokken. De Raad wijst er daarbij nog op dat appellant geen stukken heeft ingebracht die duiden op feitelijke onjuistheid of onvolledigheid van die informatie.

6.3. De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde de WW-uitkering terecht blijvend en geheel heeft geweigerd. De Raad merkt hierbij nog op dat gedaagde daarbij een ander wettelijk kader heeft gehanteerd dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak veronderstelt, nu de maatregel blijkens het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder a, juncto artikel 27, eerste lid, van de WW.

6.4. De Raad stelt vast dat de termijn waarbinnen gedaagde op het bezwaar van 27 juni 2002 had dienen te beslissen ruimschoots is overschreden nu eerst bij beslissing op bezwaar van 8 september 2003 het bezwaar van appellant ongegrond is verklaard. De Raad ziet echter geen reden om aan deze overschrijding in rechte consequenties te verbinden nu niet is gebleken dat appellant daardoor op zichzelf nadeel heeft ondervonden. Bij de beoordeling van de klacht van appellant dat de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden moet er van worden uitgegaan dat deze termijn begin te lopen op het moment waarop bezwaar is aangetekend tegen het primaire besluit en dat vervolgens de totale duur van de procedure dient te worden bezien. In casu heeft deze termijn drie jaar en bijna vijf maanden bedragen, reden waarom de Raad van oordeel is dat aldus artikel 6 van het EVRM niet is geschonden.

6.5. Het bestreden besluit kan derhalve in stand blijven en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

7. Beslist dient derhalve te worden als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. C.P.J. Goorden als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x