Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AU9768
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoogte van het vastgestelde dagloon. Verzoek om schadevergoeding.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/188 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. M.W.A. Scholtes, verbonden aan SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 1 december 2004 onder kenmerk 04/2302 door de rechtbank te Rotterdam gewezen uitspraak.

Bij brieven van 21 februari 2005, 14 maart 2005, 16 april 2005, 21 juli 2005, 26 juli 2005, 4 augustus 2005 en 13 augustus 2005 heeft appellant de hoger beroepsgronden aangevuld.

Gedaagde heeft geen verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nrs. 04/5842 ZW en 05/1292 ZW, behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 september 2005, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede en mr. M.J. van Steenwijk, werkzaam bij het Uwv. In dit geding wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 18 juni 2004 (hierna: besluit I) heeft gedaagde een eerder besluit gehandhaafd waarbij het dagloon waarop de uitkering van appellant ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 11 november 2002 is gebaseerd is vastgesteld op 140,69. Nadat appellant tegen dit besluit bij de rechtbank beroep had ingesteld, heeft gedaagde bij besluit van 3 september 2004 (hierna: besluit II) het dagloon op een hoger bedrag vastgesteld. Appellant heeft vervolgens meegedeeld dat het dagloon nog steeds tot een te laag bedrag was vastgesteld en aangegeven welke correcties er nog zouden moeten volgen. Bij besluit van 23 november 2004 (hierna: besluit III) heeft gedaagde het dagloon geheel volgens de door appellant aangegeven correcties vastgesteld.

De rechtbank heeft geconstateerd dat gedaagde met besluit III geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van appellant. Om die reden heeft de rechtbank geen aanleiding gezien nog een beoordeling te geven over besluit III. Wel heeft zij een beoordeling gegeven van besluit I en - met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - besluit II, omdat appellant op de voet van artikel 8:73 van de Awb om schadevergoeding heeft verzocht.

De rechtbank heeft, onder bepaling omtrent vergoeding van griffierecht aan appellant, de beroepen tegen de besluiten I en II gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd, voorzover aangevochten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant omdat de door de gemachtigde van appellant verrichte proceshandelingen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding heeft zij overwogen dat dit verzoek op geen enkele wijze is geconcretiseerd en dat niet is gebleken dat ter zake van de vordering van appellant rechterlijke tussenkomst geboden is. Om die reden heeft de rechtbank geen toepassing gegeven aan artikel 8:73 van de Awb.

Appellant kan zich niet met de uitspraak van de rechtbank verenigen en heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten gedaagde te veroordelen in de proceskosten. Voorts had de rechtbank hem in de gelegenheid moeten stellen zijn verzoek om schadevergoeding nader te specificeren, nu hij hierom wel had verzocht. Appellant heeft in hoger beroep zijn verzoek om toekenning van een schadevergoeding herhaald en nader gespecificeerd.

De Raad overweegt als volgt.

Terecht heeft de rechtbank het beroep van appellant niet mede gericht geacht tegen besluit III. Immers, dit besluit komt geheel tegemoet aan het beroep. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat de besluiten I en II vernietigd moeten worden nu gedaagde deze besluiten niet langer handhaaft.

Met betrekking tot de grief van appellant dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken wijst de Raad op het Besluit proceskosten bestuursrecht, dat is genomen op grond van artikel 8:75 van de Awb. Hierin is een limitatieve opsomming gegeven van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de door de gemachtigde van appellant in de beroepsprocedure verrichte proceshandelingen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Voor de op eigen naam door appellant verrichte proceshandelingen, zoals het instellen van beroep is evenmin vergoeding mogelijk. Verder is niet gebleken dat appellant andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt, waaronder in het bijzonder reis- en verletkosten in verband met het bijwonen van een terechtzitting. Deze grief van appellant slaagt daarom niet.

Anders oordeelt de Raad over de grief van appellant omtrent de schadevergoeding. Zowel in het voorlopig beroepschrift als in een brief van 28 september 2004 heeft appellant aan de rechtbank verzocht het verzoek om schadevergoeding nader te mogen specificeren. Met toepassing van artikel 8:45 van de Awb had de rechtbank appellant in de gelegenheid moeten stellen het verzoek nader toe te lichten. Nu zij dat niet heeft gedaan komt de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

In beginsel kan appellant aanspraak maken op vergoeding van door hem geleden schade als gevolg van de vernietigde besluiten I en II. Inmiddels heeft appellant zijn verzoek om schadevergoeding ook gespecificeerd.
De Raad zal echter nog niet overgaan tot een veroordeling tot vergoeding van de door appellant geleden schade. Ter zitting van de Raad is namelijk gebleken dat appellant inmiddels bij gedaagde een afzonderlijk schadevergoedingsverzoek heeft ingediend en dat thans nader onderzoek gaande is. Gedaagde zal op korte termijn een besluit nemen over het verzoek. Met het oog hierop zal met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb, het onderzoek worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak.

De Raad ziet aanleiding gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep ad 322,00 voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin niet is beslist omtrent het verzoek om schadevergoeding en bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de hoogte van de schadevergoeding en stelt de stukken daartoe in handen van de voorzitter;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van 322,00, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 102,00 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x