Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV1635
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Maatregel WW-uitkering. Verplichting tot voldoende sollicitatieactiviteiten. Passende arbeid. Deeltijd/voltijd.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1879 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zutphen op 8 maart 2004, nr. 03/1449 WW, tussen partijen mondeling gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. E. Kort-Schenk, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp, een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft appellant bij schrijven van 1 juli 2005 een nader stuk ingezonden, waarop van de zijde van gedaagde is gereageerd bij brief van 7 juli 2005.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 9 november 2005, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2. Gedaagde ontving met ingang van 18 februari 2003 een WW-uitkering, berekend naar een arbeidsurenverlies van 24 uur per week. Daarnaast was gedaagde nog werkzaam in een tweetal dienstbetrekkingen voor in totaal 24 uur per week. Blijkens het werkbriefje, dat betrekking had op de periode van 12 mei 2003 tot en met 8 juni 2003 heeft gedaagde in de eerste week van die periode vier sollicitaties verricht; in de overige drie weken van die periode heeft gedaagde geen sollicitaties verricht. Bij besluit van 14 juni 2003 heeft appellant een maatregel toegepast, inhoudende een korting van 20% gedurende de periode van 9 juni 2003 tot 29 september 2003, op de grond dat gedaagde zich niet heeft gehouden aan de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Bij besluit van 8 oktober 2003, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant het door gedaagde tegen het besluit van 14 juni 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het door gedaagde gemaakte bezwaar tegen het besluit van 14 juni 2003. De rechtbank was van oordeel dat het bestreden besluit op onvoldoende onderzoek naar de bij de besluitvorming in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden berust en dat het voorts ondeugdelijk is gemotiveerd. Aan dit oordeel heeft de rechtbank de volgende overwegingen ten grondslag gelegd, waarbij voor eiser dient te worden gelezen gedaagde en voor verweerder dient te worden gelezen appellant:
"Blijkens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het niet in strijd met een juiste uitleg van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW dat verweerder van een werkloze werknemer verlangt dat hij in beginsel ten minste één concrete sollicitatieactiviteit per week verricht. De CRvB gaat er daarbij vanuit dat door verweerder per periode van vier weken, aan de hand van het werkbriefje en rekening houdend met de op de individuele omstandigheden van de verzekerde betrekking hebbende factoren, wordt beoordeeld of voormeld onderdeel van artikel 24 van de WW in concreto is overschreden.
Voorts mag ingevolge de jurisprudentie van de CRvB bij het niet nakomen van de verplichting één concrete sollicitatie per week te verrichten, in principe worden uitgegaan van het bestaan van een causaal verband tussen de mate waarin de betrokkene solliciteert en het bestaan of het voortduren van de werkloosheid, in die zin dat er bij het voldoen aan de gestelde norm een meer dan louter hypothetische kans had bestaan om passende arbeid te verkrijgen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan aan dit uitgangspunt echter niet onverkort worden vastgehouden in het geval van een werknemer zoals eiser, die 57 jaar oud is, een verouderde opleiding alsook een specialistisch arbeidsverleden heeft, en die in verband met de korte duur van zijn werkloosheid ten tijde in geding nog zekere eisen mocht stellen aan aard en niveau van de te accepteren arbeid. Tenslotte is van belang dat eiser naast zijn werkloosheid nog gedeeltelijk in vaste dienst werkzaam was, in verband waarmee hij in beginsel slechts parttime beschikbaar behoefde te zijn voor de arbeidsmarkt.
Onder dergelijke omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, kan niet op voorhand worden aangenomen dat een causaal verband tussen de mate waarin eiser heeft gesolliciteerd en het bestaan of voortduren van de werkloosheid aanwezig is. Het had dan ook op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te verrichten naar de zich ten tijde van belang voordoende vacatures in (potentieel) voor eiser passende functies, en op die wijze vast te stellen of aan voormelde causaliteitseis is voldaan.
De enkele stelling in het bestreden besluit, inhoudende dat ‘gelet op de situatie dat u directeur bent bij een tweetal bedrijven, en dit al een geruime tijd, gaan wij er van uit dat u over ruim voldoende leidinggevende capaciteiten beschikt, zodat het niet ondenkbeeldig is dat, indien u meerdere sollicitatieactiviteiten zou hebben verricht, dit zou hebben kunnen leiden tot het opheffen van uw werkloosheid’, acht de rechtbank onder de gegeven omstandigheden ontoereikend."

2.4. In hoger beroep betwist appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank, waarbij hij aangeeft dat naar zijn opvatting het feit dat een uitkeringsgerechtigde parttime werkloos is niet betekent dat deze alleen maar op parttime functies hoeft te solliciteren, alsmede dat hij, naar hij meent, in beginsel juist geen onderzoek hoeft te doen naar het bestaan van concrete vacatures in de in geding zijnde periode, welk uitgangspunt naar zijn opvatting ook in het geval van gedaagde opgeld doet.

3.1. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. Hij beantwoordt deze vraag ontkennend en hij overweegt daartoe als volgt.

3.2. Met appellant is de Raad van oordeel dat de rechtbank een onjuiste invulling heeft gegeven aan het in zijn jurisprudentie ontwikkelde uitgangspunt van het causaal verband zoals onder meer verwoord in zijn uitspraak van 16 mei 2001, LJN AE8626, RSV 2001/181 en van 22 mei 2002, LJN AE6606, USZ 2002/225.

3.3. In evenbedoelde jurisprudentie heeft de Raad steeds aangegeven dat, indien de verplichting om te solliciteren (ten tijde in geding de verplichting om tenminste één concrete en verifieerbare sollicitatieactiviteit te verrichten per week) niet wordt nagekomen, in principe mag worden uitgegaan van de, in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW besloten liggende, voorwaarde dat er een causaal verband bestaat tussen de mate waarin betrokkene solliciteert en het bestaan of voortduren van de werkloosheid, in die zin dat er bij het voldoen aan de gestelde norm een meer dan louter hypothetische kans had bestaan om passende arbeid te verrichten.

3.4. De Raad ziet aanleiding even bedoelde jurisprudentie, nu deze, naar hem is gebleken, kan worden misverstaan, te verduidelijken. Ten aanzien van de werkloze werknemer mag in beginsel worden aangenomen dat met het verrichten van voldoende sollicitatieactiviteiten de kans toeneemt dat arbeid wordt verkregen en dat daarmee het werkloosheidsrisico wordt verkleind. Het is deze vooronderstelling die de grondslag vormt voor de ten aanzien van iedere werkloze werknemer geldende verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, welke verplichting aldus wordt uitgelegd dat een werkloze werknemer is gehouden om in voldoende mate concrete en verifieerbare sollicitatieactiviteiten te verrichten. Naar de Raad reeds vaker als zijn oordeel te kennen heeft gegeven - onder meer in zijn in 3.2. genoemde uitspraken - is de door appellant ten tijde in dit geding van belang aan de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW neergelegde verplichting gegeven uitwerking, te weten dat in elke beoordelingsperiode ten minste één sollicitatieactiviteit per week dient te worden verricht, niet onredelijk te achten. Indien, gelet op diens uitzonderlijke individuele omstandigheden, moet worden aangenomen dat de hiervoor weergegeven vooronderstelling en de uitwerking daarvan in de vorm van de sollicitatieplicht voor een betrokkene niet opgaat, kan niet worden geoordeeld dat deze betrokkene de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW niet is nagekomen en mag appellant geen maatregel opleggen. In zo’n uitzonderlijke situatie heeft, zo oordeelt de Raad, de hiervoor aangegeven vooronderstelling, gelet op de persoon en de positie van deze op de arbeidsmarkt, nog slechts een hypothetisch karakter.

3.5. Gelet op het voorgaande, is de Raad van oordeel dat appellant in beginsel ten aanzien van een werkloze werknemer van de juistheid van meergenoemde vooronderstelling mag uitgaan en derhalve niet is gehouden de juistheid ervan te onderbouwen. Dat is slechts anders in het geval de voorhanden zijnde gegevens, die bij de aanvraag en eventueel de werkbriefjes aan appellant ter kennis zijn gekomen, er in genoegzame mate op wijzen dat meergenoemde vooronderstelling niet kan worden gehanteerd, dan wel in het geval een betrokkene, gelet op diens persoonlijke omstandigheden en positie op de arbeidsmarkt, zich op het standpunt stelt dat de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW neergelegde verplichting niet voor hem zou gelden en deze betrokkene de stelling dat meergenoemde vooronderstelling ten aanzien van hem niet kan worden gehanteerd, genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt.

3.6. De Raad ziet geen aanleiding om ten aanzien van gedaagde aan te nemen dat de vooronderstelling dat met het verrichten van voldoende sollicitatieactiviteiten de kans voor hem op het verkrijgen van arbeid toeneemt, niet opgaat, nog daargelaten de vraag of gedaagde het tegendeel heeft gesteld. Dit brengt mee dat, nu gedaagde in drie weken van de desbetreffende beoordelingsperiode geen sollicitatieactiviteiten heeft verricht, hetgeen overigens ook niet door gedaagde wordt betwist, moet worden vastgesteld dat gedaagde niet in voldoende mate concrete en verifieerbare sollicitatieactiviteiten heeft verricht, als uitgewerkt in het door appellant terzake vastgestelde en op de datum in geding van toepassing zijnde beleid.

4.1. Een andere vraag is of, indien een werkloze werknemer niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting om in voldoende mate concrete en verifieerbare sollicitaties te verrichten, er voldoende grond is om te oordelen dat het niet-nakomen van deze verplichting de betrokkene niet kan worden verweten omdat er in de in geding zijnde periode geen aanbod van passende arbeid was waarop de betrokkene kon en behoorde te solliciteren. Bij de beantwoording van deze vraag gaat het om het al dan niet aanwezig zijn in de in geding zijnde periode van aanbod van voor de betrokkene passende arbeid. Appellant dient, in het geval een werkloze werknemer stelt dat er in de in geding zijnde periode voor hem geen aanbod van passende arbeid voorhanden was, vast te stellen of deze stelling aannemelijk is te achten, waarbij appellant in elk geval dient te letten op de functie waaruit de betrokkene werkloos is geworden, het niveau van die functie en het bij die functie behorende loon, de omvang van het arbeidsurenverlies uit die functie, alsmede de duur die is verstreken tussen het moment waarop de betrokkene uit die functie werkloos is geworden en de in geding zijnde periode. Als de stelling van de betrokkene aannemelijk is te achten, kan appellant de betrokkene het niet nakomen van de verplichting slechts dan tegenwerpen, wanneer appellant het bestaan van voldoende vacatures in de ten aanzien van de betrokkene in aanmerking te nemen passende arbeid genoegzaam heeft aangetoond.

4.2. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant het bestreden besluit niet onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd, nu hij geen onderzoek heeft gedaan naar het voorkomen in de drie weken van de in geding zijnde periode van voor gedaagde passende arbeid. Gelet op hetgeen onder 4.1. is overwogen, merkt de Raad daartoe het volgende op. Gedaagde heeft aangegeven dat hij vier keer in één week heeft gesolliciteerd omdat hij op dezelfde dag van de vier desbetreffende vacatures op de hoogte is geraakt en hij er niet aan heeft gedacht om de sollicitaties niet alle op dezelfde dag of in dezelfde week te laten uitgaan, alsmede dat hij niet op de hoogte was van de mogelijkheid van zogeheten open sollicitaties en dat hij zich ruim opstelt, in die zin dat hij solliciteert naar parttime en fulltime functies en naar qua aard en niveau sterk verschillende functies. Tevens kent de Raad betekenis toe aan de door appellant aangevoerde omstandigheden, te weten dat gedaagde door het Centrum voor Werk en Inkomen is ingedeeld in fase 1, hetgeen betekent dat de afstand tot de arbeidsmarkt als vrij klein moet worden aangemerkt, en dat aannemelijk is, gelet op diens arbeidsverleden en huidige werkzaamheden, dat gedaagde over ruim voldoende leidinggevende kwaliteiten beschikt om passende arbeid te (kunnen) verkrijgen. Gelet hierop, acht de Raad de stelling van gedaagde dat er voor hem in de in geding zijnde periode geen aanbod was van passende arbeid niet aannemelijk. Op appellant rustte onder deze omstandigheden, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, derhalve niet de verplichting om nader onderzoek te doen naar de zich ten tijde van belang voordoende vacatures in voor gedaagde passende arbeid.

4.3. In hetgeen gedaagde voorts heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het niet nakomen van de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW hem niet in overwegende mate kan worden verweten, noch dat dringende redenen aanwezig zijn die nopen tot het afzien van het opleggen van een maatregel.

5. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden en dat het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit ongegrond dient te worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006.

(get.) H. Bolt.

De griffier is verhinderd om de uitspraak te tekenen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x