Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV2440
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene heeft zijn werkzaamheden als zelfstandige niet geheel beŽindigd.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/4116 WW en 05/5056 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. I.E. Mussche, werkzaam bij De Unie, vakbond voor industrie en dienstverlening, hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank ís-Hertogenbosch, onder dagtekening 18 juni 2004, tussen partijen gegeven uitspraak, reg.nr. AWB 03/320 WW, waarnaar hier wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij brief van 20 augustus 2004 een nieuw besluit op bezwaar van diezelfde datum aan de Raad toegezonden.

Namens appellant zijn bij brief van 14 september 2004 de gronden van het hoger beroep ingediend.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 7 december 2005, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Appellant was op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd sedert 1 augustus 2001 werkzaam als applicatieprogrammeur voor [naam werkgever]. Wegens gebrek aan werk is appellant per 9 januari 2002 vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. Bij beschikking van de kantonrechter d.d. 20 maart 2002 is de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever per die datum ontbonden en is appellant een vergoeding van Ä 5.881,-- toegekend. Gedaagde heeft appellant ingaande 1 mei 2002 een WW-uitkering toegekend naar een verlies van 40 arbeidsuren per week. Daarbij is tevens besloten dat de in verband met zijn nevenbetrekkingen gewerkte uren tot een maximum van 9,58 uur per week niet op die uitkering in mindering zullen worden gebracht. Appellant is voorts vanaf 26 april 2002 werkzaamheden als zelfstandige gaan verrichten, heeft in week 20 van 2002 als zodanig geen werkzaamheden verricht en de volgende weken weer wel. Per 1 juli 2002 is hij elders in dienst getreden.

1.2. Bij besluit van 14 augustus 2002 heeft gedaagde appellant ervan in kennis gesteld dat het recht op WW-uitkering ingaande 1 mei 2001 met 32 uur blijvend is geŽindigd op de grond dat appellant door het verrichten van niet-verzekeringsplichtige arbeid het werknemerschap over dat aantal uren heeft verloren. Daarbij is aangegeven dat appellant, als hij binnen anderhalf jaar na 1 mei 2002 met deze werkzaamheden stopt, het werknemerschap kan herkrijgen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 december 2002 ongegrond verklaard.

1.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat gedaagde terecht de uitkering van appellant met ingang van 1 mei 2002 blijvend heeft beŽindigd, met dien verstande dat het aantal uren niet op 32 maar op 16 moet worden gesteld. Gedaagde heeft in deze uitspraak berust en in het in rubriek I van deze uitspraak genoemde besluit van 20 augustus 2004 (het bestreden besluit) appellant ervan in kennis gesteld dat zijn WW-uitkering ingaande 1 mei 2002 op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 20, tweede lid, van de WW voor 16 uur is geŽindigd. Aangezien met dit besluit niet geheel aan het beroep is tegemoet gekomen, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit. Aangezien appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak over het besluit van 19 november 2003, en het besluit van 20 augustus 2004 en de daartegen gerichte grieven thans ter beoordeling voorliggen, dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

1.4. Appellant aanvaardt in hoger beroep dat ingevolge de rechtspraak van de Raad met betrekking tot artikel 8, tweede lid, van de WW het werknemerschap eerst kan worden herkregen indien de werkzaamheden als zelfstandige geheel zijn geŽindigd. Hij stelt echter dat de Raad in zijn uitspraak van 8 augustus 2001, LJN AD3796, USZ 2001/247 en RSV 2001/255, expliciet heeft aangegeven dat dat artikellid uitsluitend van toepassing is op werknemers die tijdens een WW-recht starten als zelfstandige en niet indien de werknemer voorafgaand aan het WW-recht al als zelfstandige werkzaam was. Appellant meent daarom dat niet het tweede lid, maar het vierde lid, van artikel 8 van toepassing is, welke bepaling aan een gedeeltelijke herkrijging van het werknemerschap niet in de weg staat. Voor het overige heeft hij de eindiging van het recht op WW-uitkering met 16 uur per week niet bestreden.

2.1. De Raad constateert allereerst dat de werkzaamheden die appellant als zelfstandige vanaf 26 april 2002 is gaan verrichten, terecht niet hebben geleid tot het aannemen van zogenoemde vrij te laten uren. Die werkzaamheden zijn immers niet daadwerkelijk gecombineerd met het werk in dienst van [naam werkgever] De vraag of het bestreden besluit in stand kan blijven beantwoordt de Raad, zich beperkend tot het punt van geschil, bevestigend. Hij heeft daartoe het volgende overwogen.

2.2. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld ziet artikel 8, tweede lid, van de WW op de beginnende zelfstandige. Deze herkrijgt het werknemerschap indien die werkzaamheden binnen anderhalf jaar na aanvang daarvan geheel zijn beŽindigd. Appellant bestrijdt niet dat hij werkzaamheden verrichtte in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep. Uit de gedingstukken, waaronder een door hem opgestelde factuur van die datum, blijkt genoegzaam dat appellant - in elk geval - op 26 april 2002 is aangevangen met die werkzaamheden. Dat betekent dat de termijn van artikel 8, tweede lid, van de WW, anders dan in het besluit van 14 augustus 2002 staat vermeld, op 26 april 2002 is aangevangen.

2.3. Het standpunt van appellant dat de Raad in de door hem genoemde uitspraak heeft beslist dat artikel 8, tweede lid, van de WW uitsluitend van toepassing is op werknemers die tijdens een WW-recht starten als zelfstandige en niet op de werknemer die, zoals appellant, al voorafgaand aan het WW-recht als zelfstandige werkzaam was, berust op een onjuiste lezing van die uitspraak en wordt door de Raad niet gedeeld. Door appellants niet verschijnen ter zitting heeft de Raad, evenmin als de rechtbank waar appellant ook niet is verschenen, kunnen ontwaren wat appellant precies bedoelt met zijn stelling.

2.4. Nu appellant noch bestrijdt dat hij zijn werkzaamheden als zelfstandige in de hier relevante periode niet geheel heeft beŽindigd, noch de juistheid van het door gedaagde bij het bestreden besluit gehanteerde aantal uren van 16, moet appellants beroep dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond worden verklaard.

2.5 De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x