Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV2445
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering: cyclisch arbeidspatroon. Seizoenmatige arbeid. Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/4377 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Alkmaar op 1 juli 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. WW 03/539, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft [G. S.], bedrijfsjurist bij de [naam werkgever] te Enkhuizen, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 oktober 2005 heeft [G. S.] voornoemd zich als gemachtigde van gedaagde onttrokken.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 november 2005, waar appellant zich - na daartoe vanwege de Raad te zijn opgeroepen - heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.J. van Ogtrop, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde niet is verschenen.




II. MOTIVERING


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Gedaagde is op 9 april 2001 op basis van een 0-urencontract in dienst getreden bij de [naam werkgever] (hierna: [naam werkgever]) voor de duur van een bepaald werk, te weten het verrichten van bestuivingswerkzaamheden van de gewassen komkommer, paprika en tomaat voor het groeiseizoen 2001. Het dienstverband is met ingang van 21 mei 2001 beëindigd. Van 5 november 2001 tot en met 24 maart 2002 heeft gedaagde in loondienst gewerkt bij [werkgever 2] als productiemedewerker in een dienstverband van 38 uur per week. Met ingang van 11 maart 2002 is gedaagde wederom op basis van een 0-urencontract in dienst getreden bij [naam werkgever] voor de duur van de bestuivingswerkzaamheden van de gewassen komkommer, paprika en tomaat. In deze periode heeft gedaagde werkzaamheden als bestuiver van komkommerplanten voor de zaadproductie verricht. In verband met het einde van haar dienstbetrekking bij deze werkgever op 22 april 2002 heeft gedaagde bij appellant een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een WW-uitkering. Gedaagde heeft in de periode van 9 juli 2002 tot en met 31 augustus 2002 wederom bestuivingswerkzaamheden verricht bij [naam werkgever]

2.2. Bij besluit van 17 oktober 2002 heeft appellant gedaagde het recht op WW-uitkering ontzegd omdat zij werkzaam is in een cyclisch arbeidspatroon en er geen sprake is van seizoenmatige arbeid. Dit besluit is, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 19 maart 2003. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 4b van de, op grond van artikel 16, zevende lid, van de WW, tot stand gekomen Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren (hierna: de Regeling).

3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak gedaagdes beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft daartoe, mede gelet op hetgeen vanwege [naam werkgever] door [G. S.], bedrijfsjurist, en [P.B.H. H.], productiemanager, ter zitting over het productieproces is verklaard, overwogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid nu niet gebleken is dat door appellant nader onderzoek is gedaan naar de omstandigheden waaronder de kweek van komkommerzaden dient te geschieden, terwijl evenmin blijkt waarop appellants standpunt is gebaseerd dat de kweek van zaden kan geschieden met bestaande lichttechnieken en dat het de keuze is van de werkgever daarvan geen gebruik te maken.

4. Appellant heeft in hoger beroep aangegeven dat hij zich kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat hetgeen vanwege [naam werkgever] ter zitting over het productieproces is verklaard, nader onderzoek rechtvaardigde naar de vraag of gedaagdes werkzaamheden als bestuiver van komkommerplanten op zich als op klimatologische gronden als seizoensgebonden moeten worden aangemerkt. Onder verwijzing naar artikel 4b, zesde lid, van de Regeling, stelt appellant echter dat dit niet betekent dat onvoldoende is onderzocht of gedaagdes arbeid naar zijn aard op klimatologische gronden seizoensgebonden is. Appellant stelt zich op het standpunt dat de aanduiding “naar zijn aard” dwingt tot een zekere distantie van de specifieke kanten van het werk dat de betrokkene heeft verricht, zodat de rechtbank zich ten onrechte heeft gericht op de arbeid als bestuiver van komkommerplanten ten behoeve van de zaadteelt. Appellant meent dat het van voldoende distantie zou getuigen als de aard van gedaagdes arbeid zou worden omschreven als “productiewerk in de glastuinbouw”. Bepalend voor deze arbeid is naar de mening van appellant dat die arbeid in kassen wordt verricht, juist met het doel om klimatologische omstandigheden buiten te sluiten. Gedaagdes arbeid is naar de mening van appellant dan ook niet naar zijn aard op klimatologische gronden seizoensgebonden of daaraan direct gerelateerd.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is als voorwaarde voor het ontstaan van werkloosheid vereist dat de werknemer ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren. In het tweede lid van dit artikel is voorgeschreven hoe het verlies aan arbeidsuren dient te worden berekend. Ingevolge het zevende lid, aanhef en onder b, van dit artikel kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld voor de berekening van het verlies van arbeidsuren met betrekking tot wisselende arbeidspatronen. Aan deze bepaling is uitvoering gegeven in de Regeling. Ingevolge artikel 4b, eerste lid, van de Regeling worden voor de beoordeling van het arbeidsurenverlies van de werknemer die in een wisselend arbeidspatroon met een cyclus werkzaam is of is geweest dan wel aansluitend aan het intreden van de werkloosheid in een wisselend arbeidspatroon gaat werken, de kalenderweken waarover de cyclus van het arbeidspatroon zich uitstrekt in aanmerking genomen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt onder een cyclus verstaan de periode van maximaal 65 kalenderweken die wordt doorlopen tot het wisselende arbeidspatroon zich herhaalt. Ingevolge het zesde lid van dit artikel is artikel 4b van de Regeling niet van toepassing op de werknemer die seizoenmatige arbeid heeft verricht. Onder seizoenmatige arbeid wordt ingevolge de tweede volzin van dit artikellid verstaan arbeid die naar zijn aard op klimatologische gronden seizoensgebonden is of hieraan direct is gerelateerd en daardoor slechts gedurende één of meer bepaalde jaarlijks terugkerende periodes beschikbaar is of wordt verricht. Volgens de laatste volzin van dit artikellid is er geen sprake van seizoenmatige arbeid als de werkzaamheden slechts uit bedrijfseconomische motieven of om organisatorische redenen zijn geconcentreerd in één of meer jaarlijks terugkerende periodes. In het door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde beleid zoals neergelegd in het Besluit interpretatie seizoenmatige arbeid is een soortgelijke omschrijving gegeven van wat onder seizoenmatige arbeid moet worden verstaan. In de toelichting bij dit besluit is als voorbeeld van arbeid die naar zijn aard seizoensgebonden is, gewezen op direct aan de volle grond gerelateerde arbeid in de agrarische sector.

5.2. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde haar werkzaamheden verrichtte in een wisselend arbeidspatroon met een cyclus, zoals bedoeld in artikel 4b, eerste lid, van de Regeling. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of gedaagdes arbeid moet worden beschouwd als seizoenmatige arbeid in de zin van artikel 4b, zesde lid, van de Regeling. Appellant is er in het bestreden besluit van uitgegaan dat gedaagde wel cyclische, maar geen seizoenmatige arbeid verricht. Gedaagde stelt daarentegen dat haar arbeid als bestuiver van komkommerplanten aangemerkt moet worden als seizoenmatige arbeid in de zin van artikel 4b, zesde lid, van de Regeling. Zij heeft daartoe aangevoerd dat deze werkzaamheden alleen kunnen plaatsvinden indien de lichtintensiteit voldoende is en dat slechts het geval is gedurende de perioden dat zij werkzaamheden heeft verricht voor de werkgever, zodat er sprake is van naar zijn aard op klimatologische gronden seizoensgebonden arbeid.

5.3. Met betrekking tot appellants onder 4. weergegeven stelling dat de aanduiding “naar zijn aard” in artikel 4b, zesde lid, van de Regeling dwingt tot een zekere distantie van de specifieke kanten van het werk dat de betrokkene heeft verricht is de Raad, anders dan appellant, van oordeel dat de bewoordingen van dit artikellid geenszins dwingen tot een zo beperkte strekking van het begrip arbeid die naar zijn aard op klimatologische gronden seizoensgebonden is. Hetzelfde geldt voor de omschrijving van dat begrip in het Besluit interpretatie seizoenmatige arbeid.

5.4. Voorts is de Raad van oordeel dat bij de vraag of gedaagde seizoenmatige arbeid verricht niet voorbij kan worden gegaan aan een van de kenmerkende elementen van de door gedaagde feitelijk uitgevoerde werkzaamheden, namelijk dat die worden verricht uitsluitend ten behoeve van de productie en ontwikkeling van - in dit geval - komkommerzaden. Voor de Raad is op grond van de verklaringen van de bedrijfsjurist en productiemanager over het productieproces bij [naam werkgever], van welke verklaringen de juistheid niet door appellant is bestreden, voldoende aannemelijk geworden dat gedaagdes werkzaamheden als bestuiver van komkommerplanten door de afhankelijkheid van de lichtintensiteit op klimatologische gronden seizoensgebonden is en daardoor slechts gedurende één of meer bepaalde jaarlijks terugkerende periodes beschikbaar is of wordt verricht, zodat de door gedaagde verrichte arbeid dient te worden beschouwd als seizoenmatige arbeid in de hiervoor genoemde zin.

5.5. Voorzover appellant wenst te betogen dat aan het gedurende zekere periodes niet kunnen bestuiven van komkommerplanten ten behoeve van de zaadproductie bedrijfseconomische motieven ten grondslag liggen omdat in de glastuinbouw, waarin het er naar de mening van appellant nou juist gaat om klimatologische omstandigheden uit te sluiten, de tijdelijke behoefte aan arbeidskrachten kunstmatig wordt gecreëerd, zodat op grond van de laatste volzin van artikel 4b, zesde lid, van de Regeling er geen sprake kan zijn van seizoenmatige arbeid, is de Raad van oordeel, nog afgezien van de vraag of hetgeen is neergelegd in de laatste volzin van artikel 4b, zesde lid, van de Regeling een zelfstandige normstelling bevat, dat appellant in dit betoog niet kan worden gevolgd. Blijkens deze laatste volzin dient immers te worden bezien of de werkzaamheden die een verzekerde verricht slechts uit bedrijfseconomische motieven of organisatorische redenen geconcentreerd zijn in één of meer jaarlijks terugkerende periodes. Gelet op hetgeen de Raad onder 5.4. als zijn oordeel heeft gegeven is dit ten aanzien van gedaagdes werkzaamheden als bestuiver van komkommerplanten niet het geval.

6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6.1. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in hoger beroep is de Raad niet gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nieuwe beslissing op het bezwaar van gedaagde dient te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in zijn uitspraak heeft overwogen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 414,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. M.A. Hoogeveen en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 december 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x