Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV2778
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Onvoldoende sollicitatieactiviteiten tijdens de bezwaarfase. Maatregel.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/5882 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 21 september 2004, nr. WW 04/1284, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 december 2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, terwijl gedaagde, met bericht, niet is verschenen.




II. MOTIVERING


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. De Raad gaat voor zijn beoordeling uit van de volgende feiten.

2.1. Aan gedaagde is met ingang van 20 mei 2003 een uitkering ingevolge de WW toegekend naar een gemiddeld aantal arbeidsuren van 20 per week. Met ingang van 4 juni 2003 is deze uitkering beëindigd omdat gedaagde toen werkzaamheden is gaan verrichten als receptioniste/telefoniste bij [naam werkgever] (hierna: [naam werkgever]). Op 15 augustus 2003 liepen de werkzaamheden bij [naam werkgever] af. In de week van 1 tot en met 7 september 2003 heeft gedaagde nog 25,5 uur gewerkt voor [naam werkgever], in de twee weken daarna is zij op vakantie geweest en in elk van de twee weken na haar vakantie heeft zij 17 uur gewerkt voor [naam werkgever]. Vanaf 6 oktober 2003 heeft gedaagde geen werkzaamheden meer verricht.

2.2. Gedaagde heeft in augustus 2003 een WW-uitkering per 18 september 2003 gevraagd. Appellant heeft gedaagde bij besluit van 17 september 2003 het recht op WW ontzegd, omdat zij op 18 september 2003, aansluitend op het dienstverband bij [naam werkgever], op vakantie is gegaan en niet werkloos is geworden in de zin van artikel 16 van de WW.
Naar aanleiding van het tegen dit besluit door gedaagde gemaakte bezwaar, waarin onder meer door gedaagde is aangegeven dat zij ten onrechte eerst per 18 september 2003 WW-uitkering heeft aangevraagd, aangezien 15 augustus 2003 haar laatste werkdag bij [naam werkgever] was, heeft appellant bij beslissing op bezwaar van 4 december 2003 onder meer besloten alsnog te onderzoeken of gedaagde wellicht per 18 augustus 2003 in aanmerking kwam voor een WW-uitkering. In het kader van dit onderzoek heeft appellant gedaagde werkbriefjes toegestuurd met betrekking tot de periode van 18 augustus 2003 tot en met 21 december 2003. Gedaagde heeft deze werkbriefjes op 15 december 2003 ingevuld, ondertekend en geretourneerd aan appellant.

2.3. Bij besluit van 9 januari 2004 heeft appellant gedaagde ervan in kennis gesteld dat de eerder aan haar toegekende WW-uitkering met ingang van 18 augustus 2003 herleeft en (in beginsel) bestaat tot en met 5 mei 2004. Omdat gedaagde naar de mening van appellant in de periodes van 18 augustus 2003 tot en met 31 augustus 2003, van 29 september 2003 tot en met 26 oktober 2003, van 27 oktober 2003 tot en met 23 november 2003 en van 24 november 2003 tot en met 21 december 2003 niet aan haar sollicitatieverplichting had voldaan, heeft appellant haar bij een viertal andere besluiten van 9 januari 2003 een maatregel opgelegd in de vorm van een korting op haar uitkering met 20% gedurende 16 weken met ingang van achtereenvolgens 6 oktober 2003, 26 januari 2004, 17 mei 2004 en 6 september 2004. Bij besluit van 14 januari 2004 heeft appellant een bedrag van € 390,52 teruggevorderd als onverschuldigd betaald over de periode van 6 oktober 2003 tot en met 21 december 2003.

2.4. Gedaagde heeft bezwaar gemaakt bij appellant tegen onder meer de opgelegde maatregelen en de terugvordering. Bij besluit van 16 maart 2004 (het bestreden besluit) heeft appellant deze bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat ten aanzien van de opgelegde maatregelen ten onrechte de samenvoegingsregels van artikel 9 en 11 van het Maatregelenbesluit niet zijn toegepast, maar dat de hoogte van de maatregel vanaf 27 oktober 2003 niet tot 30% wordt verhoogd omdat het niet is toegestaan om in het nadeel van degene die bezwaar heeft aangetekend te beslissen. De facto wordt derhalve op de uitkering ter zake van de onderhavige werkloosheid een korting van 20% over de periode van 6 oktober 2003 tot en met 5 mei 2004 opgelegd.

3. De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit in zoverre gegrond verklaard. De rechtbank heeft in haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als verweerder en gedaagde als eiseres, onder meer het volgende overwogen:
"De rechtbank stelt vast dat eiseres niet heeft betwist dat zij, hoewel zij door verweerder op deze verplichting is gewezen, niet ten minste één sollicitatieactiviteit per week heeft verricht. Evenmin heeft zij gemiddeld ten minste vier concrete sollicitatieactiviteiten per controleperiode van vier weken (...) verricht.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich (…) op zichzelf terecht op het standpunt gesteld dat eiseres voldoende en aantoonbare sollicitatieactiviteiten moest verrichten, ook na ontvangst van het besluit van 17 september 2003 waarbij haar uitkeringsaanvraag werd afgewezen en hangende het bezwaar tegen die afwijzing.
De rechtbank acht eiseres’ gedachtegang, dat zij meende dat op haar geen wettelijke sollicitatieplicht rustte nu haar uitkeringsaanvraag was afgewezen, evenwel niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet gebleken is dat verweerder eiseres er in het besluit van 17 september 2003 of in enig ander stuk van op de hoogte heeft gesteld dat de sollicitatieplicht tijdens de bezwaarfase onverminderd doorliep. Verder acht de rechtbank het onbegrijpelijk dat verweerder de werkbriefjes met betrekking tot de onderhavige periode pas aan eiseres heeft toegezonden nadat (in voor eiseres gunstige zin) op het bezwaarschrift was beslist. Een eerdere toezending van de werkbriefjes had eiseres, zoals zij zelf ook heeft opgemerkt, waarschijnlijk behoed voor het veronachtzamen van haar sollicitatieplicht.
Het bovenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder gelet op het bepaalde in artikel 27, derde lid, van de WW gehouden was eiseres een maatregel op te leggen. De omstandigheden van het geval en de handelwijze van verweerder hadden echter aanleiding moeten vormen tot matiging van die maatregel in die zin dat een korting van niet meer dan 10% gedurende 4 keer 16 weken werd opgelegd."

4. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat de maatregel had moeten worden gematigd bestreden en hij acht de overwegingen die de rechtbank daartoe heeft gebezigd ondeugdelijk. Naar de mening van appellant is voor het al dan niet matigen van een maatregel niet van belang of aan de verwijtbare gedraging een begrijpelijke gedachtegang ten grondslag ligt, maar kan slechts de verwijtbaarheid van de gedraging zelf leiden tot matiging van de in geval van overtreding van de sollicitatieverplichting wettelijk voorgeschreven maatregel van een korting met 20% gedurende 16 weken. Appellant heeft voorts gesteld dat de rechtbank hem ten onrechte heeft aangerekend dat hij de werkbriefjes niet eerder dan na de beslissing op bezwaar van 4 december 2003 aan gedaagde heeft toegestuurd. Naar de mening van appellant bestond daarvoor op een eerder moment geen aanleiding, omdat gedaagde tot die tijd geen werkbriefjes behoefde in te vullen, aangezien zij ingevolge het besluit van 17 september 2003 niet werkloos was en dus geen WW-uitkering ontving. Pas naar aanleiding van het door gedaagde ingenomen standpunt in haar bezwaar tegen dat besluit, inhoudende dat zij niet, zoals aanvankelijk door haar was opgegeven, met ingang van 18 september 2003 werkloos was geworden, maar al met ingang van 18 augustus 2003, is besloten alsnog te onderzoeken of gedaagde met ingang van 18 augustus 2003 voldeed aan de voorwaarden voor een WW-uitkering en is het daarvoor benodigde onderzoek, noodgedwongen achteraf, gestart met het toezenden aan gedaagde van werkbriefjes over de inmiddels verstreken periode.

4.1. Gedaagde bestrijdt in hoger beroep niet dat zij in onvoldoende mate heeft gesolliciteerd en heeft haar bij de rechtbank ingenomen standpunt herhaald dat zij niet wist dat de sollicitatieplicht doorliep tijdens de bezwaarprocedure en dat zij als gevolg van de late toezending van de werkbriefjes haar sollicitatiegedrag niet meer kon wijzigen. Zij meent dus dat haar geen verwijt treft.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad is met appellant en op de door hem daartoe aangevoerde gronden van oordeel dat appellant niet kan worden verweten de werkbriefjes over de periode vanaf 18 augustus 2003 eerst achteraf aan gedaagde te hebben toegestuurd. Omdat gedaagde op haar aanvraagformulier had aangegeven dat zij met ingang van 18 september 2003 in aanmerking wenste te komen voor een WW-uitkering en appellant haar het recht op zodanige uitkering per die datum bij besluit van 17 september 2003 had ontzegd, was er voor appellant geen aanleiding om gedaagde werkbriefjes te doen toekomen. Die aanleiding ontstond pas nadat in bezwaar tegen het besluit van 17 september 2003 was gebleken dat gedaagde zich op het aanvraagformulier had vergist in de eerste werkloosheidsdag en dat zij deze wilde corrigeren naar een eerder moment. Met het honoreren van die wens werd onvermijdelijk dat over de inmiddels verstreken periode alsnog werkbriefjes door gedaagde moesten worden ingevuld. Dat gedaagde haar sollicitatiegedrag over die periode toen niet meer kon bijstellen is naar het oordeel van de Raad niet (mede) aan de handelwijze van appellant met betrekking tot het toesturen van de werkbriefjes te wijten, maar is het gevolg van de door gedaagde gemaakte fout, welk gevolg voor haar rekening dient te komen.

5.2. Het oordeel van de rechtbank dat gedaagde er door appellant ten onrechte niet van op de hoogte is gesteld dat de sollicitatieplicht doorliep tijdens de bezwaarprocedure wordt door de Raad evenmin gedeeld. De Raad wijst erop dat al op 22 mei 2003 aan gedaagde schriftelijk uitleg is gegeven over de op haar rustende sollicitatieverplichtingen. Daarbij is aangegeven dat deze verplichtingen van toepassing blijven tot het moment dat gedaagde volledig aan het werk gaat en geen aanspraak meer heeft op een WW-uitkering. Voorts is bij het besluit van appellant tot toekenning van een WW-uitkering per 20 mei 2003 een overzicht gevoegd van de rechten en plichten die voortvloeien uit de toegekende WW-uitkering. De sollicitatieplicht is hierin opgenomen. Op appellant berustte geen rechtsplicht om gedaagde, naast de informatie die reeds aan haar was verstrekt, naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift nogmaals te wijzen op de sollicitatieplicht.

5.3. Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat appellant bij het bestreden besluit terecht heeft aangenomen dat gedaagde het niet-nakomen van de sollicitatieverplichting kan worden verweten en dat de rechtbank ten onrechte in de omstandigheden van het geval en de handelwijze van appellant aanleiding heeft gezien voor matiging van de opgelegde maatregel tot 10% gedurende vier keer 16 weken.

6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep van gedaagde zal ongegrond worden verklaard.

6.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karsenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x