Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV3339
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering van werkloosheidsuitkering ingevolge het Bwoo. Hoogte van het terug te vorderen bedrag.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/3092 en 04/3399 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna: betrokkene,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, hierna: de Minister,




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Betrokkene en de Minister hebben op bij beroepschrift en aanvullend beroepschrift respectievelijk op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2004, nr. AWB 03/1482 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Partijen hebben vervolgens over en weer een verweerschrift ingediend.

Namens de Minister is voorts nog nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 januari 2006, waar betrokkene in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (Bwoo) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Aan betrokkene, die werkzaam was geweest in het volwassenenonderwijs gedurende gemiddeld 30 uur per week, is met ingang van 1 juni 1995 een werkloosheidsuitkering ingevolge het Bwoo toegekend met een omvang van 30 uur. Daarbij is tevens bepaald, aan de hand van een eigen opgave van betrokkene, dat de omvang van de werkzaamheden die betrokkene voorafgaand aan het intreden van haar werkloosheid als zelfstandige verrichtte (de zogeheten aangehouden uren) 16 uur per week bedroeg.

2.2. Nadat uit informatie van de Belastingdienst was gebleken dat betrokkene over de jaren 1997 tot en met 2000 zelfstandigenaftrek had genoten, waarvoor iemand slechts in aanmerking komt wanneer hij minimaal 1225 uur per jaar (zijnde gemiddeld ruim 23 uur per week) in een eigen onderneming werkt, is namens de Minister aan betrokkene verzocht om uitleg te geven over het verschil tussen de eigen urenopgave van 16 uur per week en de uren van de zelfstandigenaftrek. Betrokkene heeft daarop geantwoord dat zij in de jaren 1997 tot en met 2000 steeds de toegestane 16 uur per week heeft gewerkt, aangevuld met uren in haar vrije tijd, zoals in de avonden en in het weekend, waardoor zij gemiddeld 25 uur per week als zelfstandige werkte.

2.3. Op basis van deze informatie heeft de Minister bij diverse vanaf augustus 2002 genomen primaire besluiten, zoals gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 14 maart 2003, de uitkering van betrokkene over de periode van 1 augustus 1997 tot 1 december 2001 herzien en de dientengevolge onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd tot een totaal bedrag van 22.876,81. Daarbij is de Minister ervan uitgegaan dat betrokkene in genoemde periode 25 uur per week als zelfstandige had gewerkt, en niet, zoals aanvankelijk bij de berekening van de uitkering als uitgangspunt was genomen, de hiervoor genoemde aangehouden 16 uur per week, hetgeen tot gevolg had dat de uitkering alsnog met een omvang van 9 uur per week werd verminderd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene voorzover dat betrekking heeft op de terugvordering gegrond verklaard, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, met opdracht aan de Minister om in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard, met voorts een bepaling inzake het griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen - samengevat - dat de Minister op goede gronden heeft besloten de uitkering over de periode van 1 augustus 1997 tot 1 december 2001 te herzien en voorts dat de Minister bevoegd is terug te vorderen hetgeen onverschuldigd is betaald. De beslissing tot terugvordering is vernietigd, omdat de Minister volgens de rechtbank de ingevolge artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereiste belangenafweging niet had uitgevoerd.

4.1. Het hoger beroep van betrokkene betreft, kort gezegd, de herziening van haar uitkering en de vraag of de Minister bevoegd is tot terugvordering.

4.2. Het hoger beroep van de Minister was gericht tegen het door de rechtbank in haar uitspraak genoemde bedrag van 22.876,81 dat werd teruggevorderd. Volgens de Minister was het teruggevorderde bedrag hoger. Ter zitting heeft de Minister zijn hoger beroep ingetrokken.

5. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

5.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de Minister op goede gronden heeft besloten de uitkering van betrokkene over de periode van 1 augustus 1997 tot 1 december 2001 te herzien. De Raad verwijst naar hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen.
De grief van betrokkene dat het onrechtvaardig is dat de Minister bij de herziening van de uitkering acht heeft geslagen op gewerkte uren, en niet op ontvangen inkomsten, treft geen doel. De Minister heeft de op de Werkloosheidswet gebaseerde systematiek van het Bwoo, waarbij uitgegaan wordt van gewerkte uren en niet van ontvangen inkomsten, op juiste wijze toegepast. De Raad voegt hier nog aan toe dat de door betrokkene gewerkte uren door haar in aanmerking zijn genomen bij het claimen van zelfstandigenaftrek, zodat ervan uitgegaan moet worden dat op bedoelde uren is gewerkt in het kader van haar werk als zelfstandige.

5.2. Betrokkenes stelling dat zij het uitvoeringsorgaan van de Minister regelmatig heeft laten weten dat zij in het kader van haar bedrijf 60 uur per week placht te werken heeft zij niet nader onderbouwd terwijl ook in de stukken voor die stelling geen aanknopingspunt is te vinden, zodat de Raad hier verder aan voorbij zal gaan. Aangezien over de periode van 1 augustus 1997 tot 1 december 2001 door toedoen van betrokkene onverschuldigd uitkering aan haar is betaald, heeft de Minister zich terecht bevoegd geacht deze onverschuldigd betaalde uitkering ten bedrage van 22.876,81 van haar terug te vorderen.

5.3. Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, te worden bevestigd.

6. De Minister heeft ter zitting verklaard dat nog geen uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. De belangenafweging die is vereist bij het nemen van een terugvorderingsbesluit als het onderhavige, leidt er volgens de Minister toe dat het gehele onverschuldigd betaalde bedrag aan bruto uitkering van betrokkene dient te worden teruggevorderd. Daartoe acht de Minister van belang dat de onverschuldigde betaling geheel en al is te wijten aan het feit dat betrokkene, in strijd met haar inlichtingenverplichting, niet tijdig aan de Minister heeft gemeld dat zij meer uren dan voorheen als zelfstandige heeft gewerkt. De Minister heeft zich evenwel bereid verklaard het aanbod gestand te doen dat hij in de hoger beroepsfase aan betrokkene heeft gedaan ter voorkoming van verdere procedures, te weten een vermindering van de terugvordering met 20%. Voorts is hij bereid nader te overleggen over de terugbetalingstermijnen. De Raad overweegt, voor dit geding geheel ten overvloede, dat het aldus verminderde terugvorderingsbedrag s Raads toetsing kan doorstaan. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat betrokkene zich er terdege bewust van moet zijn geweest dat ook de niet-declarabele gewerkte uren als zelfstandige onder de opgaveplicht vielen, nu bij de vaststelling van de aangehouden uren, overeenkomstig de eigen opgave van betrokkene, ook rekening is gehouden met niet-declarabele uren.

6. Reeds omdat betrokkene geen vergoeding van proceskosten heeft gevorderd, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x