Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV4198
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-01-2006
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Weigering WW-uitkering. Verwijtbare werkloosheid. Te laat op het werk verschijnen. Waarschuwing. Medische grond? Is er een dringende reden om af te zien van de maatregel?
 
 
 

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter 05/6969 WW-VV




U I T S P R A A K




inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. INLEIDING


Gedaagde heeft bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 april 2005, nr. 04/949 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens verzoeker is een verweerschrift ingediend en is aan de voorzieningenrechter van de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 12 januari 2006, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. N.B.P. Arets, advocaat te Roermond, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


1. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker was sedert 15 mei 1968 werkzaam als pluimveeslachter bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: werkgever). Daarnaast exploiteert hij een cafť aan huis in de vorm van een eenmanszaak zonder personeel. Bij brief van 19 februari 2002 is verzoeker door zijn werkgever gewaarschuwd dat hij de laatste maanden veelvuldig te laat op het werk kwam en gedurende een week, zonder het te melden, helemaal niet op het werk was verschenen. Daarbij is hem te verstaan gegeven dat herhaling tot ontslag op staande voet kan leiden. Bij brief van 21 juli 2003 is verzoeker ontslag op staande voet verleend, omdat hij ondanks recente mondelinge waarschuwingen opnieuw zonder bericht een aantal dagen niet op het werk was verschenen. Nadat namens verzoeker de nietigheid van dit ontslag was ingeroepen en hij de werkgever had gedagvaard om hem tot het werk toe te laten, heeft de werkgever dit ontslag op staande voet ingetrokken en de kantonrechter te Roermond verzocht de tussen verzoeker en de werkgever bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. Bij beschikking van 30 september 2003, nr. 114002/AZ VERZ 03-642 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2003, zonder toekenning van een vergoeding, ontbonden wegens verandering van omstandigheden bestaande uit een ernstig verstoorde arbeidsverhouding, waarvan verzoeker volgens de kantonrechter geen verwijt is te maken.

1.2. Bij besluit van 1 december 2003 heeft gedaagde de WW-uitkering van verzoeker blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid, omdat het aan hem te wijten is dat zijn dienstverband is ontbonden. Namens verzoeker is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Tijdens de hoorzitting heeft verzoeker verklaard dat het al geruime tijd niet goed ging op het werk. Volgens verzoeker waren er misverstanden en maakten collegaís denigrerende opmerkingen over zijn uiterlijk. Hij ging vaak met tegenzin en zonder animo naar het werk en kwam daardoor wel eens te laat. Gedaagde heeft hierin aanleiding gezien voor een nader onderzoek bij de werkgever. Desgevraagd heeft de werkgever verklaard dat verzoeker reeds enkele jaren vaak te laat en soms in het geheel niet op het werk verscheen, dat de werkgever om verzoeker tegemoet te komen met verzoeker heeft afgesproken dat hij ís ochtends een half uur later mocht beginnen en op vrijdag in het geheel niet meer hoefde te werken, doch dat deze maatregelen niet tot verbetering leidden en dat toen ook herhaalde waarschuwingen geen resultaat hadden, verzoeker uiteindelijk is ontslagen.

1.3. Bij het bestreden besluit van 20 april 2004 heeft gedaagde het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat verzoeker verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, omdat hij door veelvuldig te laat op het werk te komen of in het geheel niet te verschijnen, zich zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beŽindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

1.4. In beroep is namens verzoeker gesteld dat de oorzaak van het te laat op het werk verschijnen met name is gelegen in het feit dat hij lijdt aan een ernstige vorm van diabetes waardoor hij vaak verward is. Ter onderbouwing van dit standpunt is een beroep gedaan op brieven van de verzoeker behandelend internist, J.C. van de Loo, van 14 juni 2004 en van 4 augustus 2004, waaruit naar voren komt dat verzoeker op 2 mei 2004 met spoed is opgenomen in het ziekenhuis nadat hij thuis was aangetroffen in vrijwel volledige coma ten gevolge van een fors ontregelde diabetes mellitus, waarbij tevens sprake was van een status na alcoholabusus en ernstige vaatproblemen. Volgens deze internist lijkt het zeer aannemelijk dat verzoeker reeds enkele jaren lijdt aan een slecht gereguleerde diabetes.

1.5. In reactie hierop heeft gedaagde bij de rechtbank een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts (hierna: bva) G.J.A. van KasterenĖVan Delden van 2 september 2004 ingezonden. Daarin heeft deze bva, na kennisname van het dossier, gesteld dat het feit dat verzoeker reeds jaren lijdende is aan diabetes mellitus niet impliceert dat hij reeds jaren (met periodes) verward is geweest. Aangezien verzoeker niet eerder om medische hulp heeft verzocht acht de bva het niet aannemelijk dat de toestand van verwardheid bestond gedurende de laatste periode van het dienstverband en zulks daarom niet als excuus is aan te voeren voor het feit dat verzoeker zijn afspraken niet nakwam.

1.6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van haar uitspraak, een en ander met bepalingen over proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft als vaststaand aangenomen dat verzoeker, ondanks waarschuwingen, gedurende enkele jaren vele keren te laat op het werk is verschenen en ook een aantal malen zonder bericht in het geheel niet op het werk kwam. Het is de rechtbank echter niet duidelijk geworden in hoeverre het niet nakomen van de verplichting aan verzoeker is toe te rekenen. De rechtbank acht niet uitgesloten dat de medische klachten, die zich na de beŽindiging van het dienstverband bij verzoeker hebben geopenbaard, zich mogelijk al tijdens het dienstverband hebben voorgedaan en dat het dus niet onmogelijk is dat het verzuim in feite een gevolg is van de ziekte dan wel het ontbreken van ziekte-inzicht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde dit onvoldoende onderzocht. Voor zover er al sprake is van toerekenbaarheid is het volgens de rechtbank aangewezen dat nader wordt onderzocht of de omstandigheden die hebben geleid tot het eindigen van de dienstbetrekking (mede) op het conto van de werkgever moeten worden geschreven. De rechtbank is er namelijk niet van overtuigd dat de werkgever bij de nakoming van de verplichtingen ingevolge de Arbeidsomstandighedenwet en de arbeidsovereenkomst, niet een verbetering in het verzuimgedrag van verzoeker had kunnen bewerkstelligen. Ten slotte heeft de rechtbank, met het oog op het door gedaagde nader te nemen besluit op bezwaar, overwogen dat er bij handhaving van de blijvend gehele weigering van de uitkering in elk geval sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW, zulks vanwege de ernstige financiŽle problematiek en de zwakke positie op de arbeidsmarkt van verzoeker.

1.7. Blijkens het hoger beroepschrift stelt gedaagde zich - samengevat - op het standpunt dat het bestreden besluit na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek tot stand is gekomen en dat dat besluit ten onrechte door de rechtbank is vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.8. Namens verzoeker is de voorzieningenrechter primair verzocht om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het door gedaagde ingestelde hoger beroep ongegrond te verklaren en subsidiair om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de schorsende werking van het hoger beroep wordt opgeheven, in beide gevallen met veroordeling van gedaagde om binnen 14 dagen na dagtekening van de uitspraak aan verzoeker met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2003 een WW-uitkering te verstrekken conform de wettelijke vereisten en het daaruit voortvloeiende bedrag aan verzoeker te voldoen onder verbeurte van een dwangsom van Ä 1.000,-- per dag dat gedaagde hiermee in gebreken blijft.

2. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

2.1. De voorzieningenrechter merkt vooreerst op dat hij, gelet op het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in samenhang artikel 8:86 van de Awb, het primaire verzoek van verzoeker afwijst omdat hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat toewijzing van dat verzoek er slechts toe kan leiden dat gedaagde, in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak, alsnog uitvoering dient te geven aan de aangevallen uitspraak, doch dat dit niet hoeft te betekenen dat verzoeker alsnog met ingang van 1 oktober 2003 aanspraak zal kunnen maken op een (volledige) WW-uitkering.

2.2. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij komt in een geval als het onderhavige de vraag in beeld of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in stand zal blijven. In dat verband dient te worden aangetekend dat voorzover er in deze procedure een oordeel wordt gegeven met betrekking tot het geschil in de hoofdzaak, dat oordeel een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de beslissing in de hoofdzaak.

2.3. De voorzieningenrechter neemt, evenals de rechtbank, als vaststaand aan dat verzoeker, ondanks waarschuwingen, gedurende enkele jaren veelvuldig te laat op het werk kwam en enkele keren in het geheel niet op het werk is verschenen.

2.4. In de thans beschikbare gegevens ziet de voorzieningenrechter echter, anders dan de rechtbank, onvoldoende basis voor het oordeel dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en dat gedaagde nader onderzoek zal moeten doen zowel naar de mate van waarin verzoeker het niet nakomen van de verplichting is toe te rekenen als naar de rol van de werkgever bij de omstandigheden die hebben geleid tot het eindigen van de dienstbetrekking.

2.5. Met betrekking tot de vraag naar de mate waarin verzoeker het niet nakomen van de verplichting is toe te rekenen heeft gedaagde er terecht op gewezen dat de medische klachten voorafgaande aan het bestreden besluit niet door of namens verzoeker naar voren zijn gebracht en dat toen ook anderszins niet van dergelijke klachten is gebleken. Pas tijdens de beroepsprocedure is gebleken dat verzoeker op 2 mei 2004 wegens acute medische klachten in het ziekenhuis is opgenomen en dat het zeer aannemelijk is dat hij reeds enkele jaren een niet goed ingestelde diabetes mellitus heeft. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter niet dat gedaagde heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb en ligt het, naar zijn voorlopig oordeel, primair op de weg van verzoeker om zijn in beroep naar voren gebrachte stelling (a) dat er al tijdens het dienstverband sprake is geweest van verwardheid als gevolg van diabetes mellitus, al dan niet in combinatie met alcoholgebruik en (b) dat die verwardheid ertoe heeft geleid dat hem zijn gedrag niet of in verminderde mate kan worden verweten, met nadere medische gegevens te onderbouwen.

2.6. Met betrekking tot de vraag naar de rol van de werkgever bij de omstandigheden die hebben geleid tot het eindigen van de dienstbetrekking heeft gedaagde terecht opgemerkt dat verzoeker deze mogelijke nalatigheid in het geheel niet heeft aangevoerd tijdens de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter en dat gedaagde, toen verzoeker tijdens de hoorzitting stelde dat het al geruime tijd niet goed ging op het werk, hiernaar een nader onderzoek heeft verricht bij de werkgever waaruit naar voren is gekomen dat deze niet onverhoeds te werk is gegaan en pas na diverse waarschuwingen en na aanpassing van de werktijden van verzoeker aan diens problemen is overgegaan tot ontslag. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter niet waarom gedaagde een nader onderzoek zou moeten verrichten naar de rol van de werkgever bij de beŽindiging van het dienstverband als door de rechtbank wordt bedoeld.

2.7. Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld CRvB 30 augustus 2000; RSV 2000/239, LJN ZB8961, kunnen de in artikel 27, zesde lid, van de WW aangeduide dringende redenen om af te zien van het opleggen van een maatregel niet bestaan uit factoren welke te maken hebben met de oorzaak en de mate van verwijtbaarheid van het einde van de dienstbetrekking en komt uit de wetsgeschiedenis naar voren dat bedoelde dringende redenen slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een maatregel voor een verzekerde heeft. In hetgeen namens verzoeker tot nu toe is aangevoerd omtrent zijn financiŽle situatie en kansen op de arbeidsmarkt ziet de voorzieningenrechter, anders dan de rechtbank, onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat de gevolgen van de verzoeker opgelegde maatregel dermate uitzonderlijk zijn, dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan gedaagde van het opleggen van die maatregel zou moeten afzien.

3. Uit het vorenstaande volgt dat er, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, een redelijke mate van waarschijnlijk is dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep geen stand zal houden. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

4. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. de Moor.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x