Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV6403
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-01-2006
Soort procedure: voorlopige voorziening en hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak. Afwijking van wettelijke voorschriften van dwingendrechtelijke aard? Bijzonder geval? Herleving van het recht op WW-uitkering bij vertrek naar het buitenland.
 
 
 

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter 05/7238 WW-VV en 05/7236 WW




U I T S P R A A K




in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. INLEIDING


Namens verzoeker heeft mr. W.J.A. Vis, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Amsterdam, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem op 14 november 2005 gewezen uitspraak, reg.nrs. AB 05-5424 WW en 05-5426 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Tevens is de voorzieningenrechter van de Raad verzocht om een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 12 januari 2006, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Vis voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De voorzieningenrechter volstaat met het volgende.

Gedaagde heeft bij besluit van 19 augustus 2005 verzoekers aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) afgewezen. Dit besluit is, na gemaakt bezwaar, bij het bestreden besluit van 24 oktober 2005 gehandhaafd. Gedaagde heeft daarbij overwogen dat geen recht bestaat op herleving van het recht op uitkering, omdat verzoeker langer dan zes maanden werkzaamheden anders dan als werknemer heeft verricht. Volgens gedaagde is in de brief van 8 mei 2003 geen toezegging gedaan over de herlevingstermijn bij beëindiging wegens het verlies van werknemerschap van het recht op WW-uitkering.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, onder toepassing van artikel 8:86 van de Awb, het tegen het bestreden besluit ingediende beroep ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank kan gedaagdes beslissing, dat hij geen rechtens te honoreren verwachtingen heeft opgewekt, stand houden.

Blijkens het hoger beroepschrift handhaaft verzoeker zijn standpunt dat gedaagde het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en dit tot herleving van zijn recht op uitkering moet leiden. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening strekt ertoe verzoeker een voorschot op zijn WW-uitkering toe te kennen.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval nader onderzoek na de zitting redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Hij zal daarom met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de voorzieningenrechter gaat daarvan uit, dat verzoeker op grond van de artikelen 8, vierde lid, en 21, eerste lid, van de WW geen recht heeft op herleving van zijn recht op uitkering, omdat verzoekers werkzaamheden in Mozambique, waardoor hij de hoedanigheid van werknemer heeft verloren langer dan zes maanden hebben geduurd. Het geschil is beperkt tot de vraag of gedaagde bij verzoeker zodanige verwachtingen heeft gewekt dat, in afwijking voornoemde bepalingen van dwingend recht, herleving van de WW-uitkering dient plaats te vinden.

De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag, evenals de voorzieningenrechter van de rechtbank, ontkennend.

Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen - onder andere in zijn uitspraak van 20 oktober 1987, LJN AK7939, RSV 1988, 122 - zijn er bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer is. Van een dergelijk bijzonder geval kan sprake zijn indien vanwege het tot beslissen bevoegde orgaan aan een verzekerde uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk onjuiste of onvolledige inlichtingen zijn verschaft die bij die verzekerde de gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Een dergelijk bijzonder geval doet zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de situatie van verzoeker niet voor.

De voorzieningenrechter is met de voorzieningenrechter van de rechtbank van oordeel dat de brief van gedaagde van 8 mei 2003 niet meer behelst dan een antwoord op de in de brief van verzoeker van 23 september 2002 gestelde, en door gedaagde in zijn brief herhaalde, vraag of het mogelijk is om met behoud van uitkering voor langere tijd naar Mozambique te vertrekken om zijn netwerk te kunnen onderhouden, te solliciteren en daar werk te zoeken. Deze brief geeft derhalve alleen informatie over de gevolgen voor de uitkering gedurende een verblijf in Mozambique en heeft geen betrekking op de niet in de brief van 23 september 2002 aan de orde gestelde situatie met betrekking tot de gevolgen voor het hebben van recht op uitkering na het werken aldaar gedurende een bepaalde periode. De zinsnede “Aangezien u inmiddels ouder bent dan 57,5 jaar, geldt er in uw geval geen maximale herlevingstermijn” kan daarom alleen betrekking hebben op herleving na een verblijf in Mozambique en niet op herleving nadat verzoeker in Mozambique in niet verzekerde arbeid is gaan werken. Van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijk toezegging van gedaagde dat verzoekers uitkering ook in de laatstbedoelde situatie onbeperkt zou herleven is geen sprake.

De enkele omstandigheid dat verzoeker niet wist dat de WW voor het recht op herleving onderscheid maakt tussen een verblijf in het buitenland en het - anders dan als werknemer in de zin van de WW - werken in het buitenland en hij tengevolge daarvan in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat de informatie in de brief van 8 mei 2003 ook gold bij het werken in het buitenland, kan niet meebrengen dat de desbetreffende dwingendrechtelijke bepalingen buiten toepassing moeten worden gelaten.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was gedaagde in de gegeven omstandigheden ook niet gehouden uit eigen beweging informatie te verstrekken over de gevolgen van het werken in Mozambique voor de uitkering van verzoeker.

De voorzieningenrechter merkt tenslotte op dat de onderhavige zaak niet vergelijkbaar is met de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 januari 2005, reg.nrs. AWB 04/3036 WW en AWB 04/3038, reeds omdat in die zaak door de verzekerde wel uitdrukkelijk was gevraagd naar de gevolgen van het aanvaarden van werk in het buitenland voor de WW-uitkering.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat onder die omstandigheden geen aanleiding.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. de Moor.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x