Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV6408
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-01-2006
Soort procedure: voorlopige voorziening en hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ten onrechte (blijvend gehele) weigering WW-uitkering. Betrokkene is niet verwijtbaar werkloos. Afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.
 
 
 

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter 05/5642 WW en 05/5973 WW-VV




U I T S P R A A K




in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hierna: Uwv,

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna: [betrokkene].




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Het Uwv heeft bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 augustus 2005, nr. 05/1498 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens [betrokkene] is een verweerschrift ingediend en is aan de voorzieningenrechter van de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 1 december 2005, waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. Clemens, werkzaam bij het Uwv, en waar voor [betrokkene] is verschenen, mr. drs. W.H.N.C. van Beek, advocaat te Breda.




II. MOTIVERING


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. [betrokkene] was sedert 15 november 2004 via uitzendbureau Manpower werkzaam bij [naam bedrijf] te Moerdijk in de functie van [naam functie]. Op 15 februari 2005 is een einde gekomen aan deze werkzaamheden vanwege een meningsverschil tussen [betrokkene] en [P. H.], warehouse manager bij [naam bedrijf], over een maaltijdvergoeding,

1.2. Bij besluit van 9 maart 2005 heeft het Uwv de WW-uitkering van [betrokkene] blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.

1.3. Namens [betrokkene] is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Tijdens de hoorzitting heeft [betrokkene], samengevat, verklaard dat hij moest deelnemen aan een éénmalige, verplichte, cursus veiligheid van luchtvracht, welke op het bedrijf na afloop van de werktijd van zes uur tot ongeveer tien uur ’s avonds zou worden gegeven. Hij was bereid om aan deze cursus deel te nemen onder de voorwaarde dat hij tussen vijf en zes uur op eigen kosten even naar huis kon rijden om zijn hond te verzorgen. Tevens wilde hij een vergoeding voor een kleine, snelle, maaltijd bestaande uit bijvoorbeeld een frietje of een pizza. Deze vergoeding van enkele euro’s vond hij redelijk omdat de overige deelnemers aan de cursus op kosten van het bedrijf mochten blijven eten. [H.] was echter niet bereid om deze vergoeding te betalen. Het gesprek is vervolgens hoog opgelopen met als uiteindelijk gevolg dat [betrokkene] kon vertrekken.

1.4. Na de hoorzitting heeft het Uwv op 14 april 2005 telefonisch contact gehad met [H.] die, zakelijk weergegeven, het volgende heeft verklaard: [betrokkene] moest de cursus veiligheid van luchtvracht volgen. Deze cursus is van overheidswege verplicht voor logistieke bedrijven en transportbedrijven. Het doel van de cursus is het herkennen van gevaarlijke ladingen met bijvoorbeeld een bom of chemicaliën. Alle werknemers moesten de cursus volgen. De cursus duurde één doordeweekse avond van zes uur tot ongeveer tien uur en is op het bedrijf zelf gegeven. [betrokkene] deelde mede dat hij op zich wel aan de cursus wilde deelnemen, maar hij moest op het einde van de werkdag wel even op en neer naar huis kunnen om zijn hond te verzorgen zodat hij weer op tijd terug zou kunnen zijn voor de cursus. [betrokkene] wilde echter ook een vergoeding voor een maaltijd. Dit vond [H.] te ver gaan omdat het in feite om een privé-probleem ging, waarvoor [betrokkene] zelf verantwoordelijk is. [betrokkene] wist ruimschoots van tevoren van de cursus en hij was niet aan een bepaalde avond gebonden. Hij had een verzorger voor de hond kunnen regelen. Indien hij gebruik had gemaakt van het aanbod om eerder naar huis te gaan was hij zeker weer op tijd geweest om samen met de collega’s deel te nemen aan een gezamenlijke maaltijd. [betrokkene] wist echter van geen wijken en bleef aandringen op een onkostenvergoeding voor een maaltijd. Daarop is [betrokkene] aan het einde van het gesprek weggestuurd.

1.5. Bij het bestreden besluit van 15 april 2005 heeft het Uwv het bezwaar van [betrokkene] tegen het besluit van 9 maart 2005 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat het standpunt van [naam bedrijf] redelijk was, maar dat [betrokkene] het geschil desondanks op de spits heeft gedreven. [betrokkene] had terughoudendheid moeten betrachten. Gelet op het standpunt van [naam bedrijf] had [betrokkene] redelijkerwijs moeten begrijpen dat zijn gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Daarmee is hij verwijtbaar werkloos geworden.

1.6. De rechtbank heeft het beroep van [betrokkene] tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en bepaald dat het Uwv binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift met inachtneming van die uitspraak, een en ander met bepalingen over proceskosten en griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank is [betrokkene] niet verwijtbaar werkloos geworden omdat hij er door het aandringen op de verzochte maaltijdvergoeding geen rekening mee hoefde te houden dat hij als gevolg daarvan direct door [H.] naar huis zou worden gestuurd. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat niet is gebleken dat [betrokkene] eerder in verband met zijn gedrag is gewaarschuwd of anderszins problemen had gemaakt en dat Manpower nog steeds voor [betrokkene] wilde bemiddelen.

1.7. Blijkens het hoger beroepschrift handhaaft het Uwv zijn standpunt dat [betrokkene] verwijtbaar werkloos is geworden.

1.8. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening strekt ertoe dat [betrokkene] alsnog in aanmerking wordt gebracht voor een WW-uitkering per 16 februari 2005.

2. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat voor de voorzieningenrechter voldoende vast dat [betrokkene], op grond van zijn financiële situatie, een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval nader onderzoek na de zitting redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling in de hoofdzaak. Hij zal daarom met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.4. De voorzieningenrechter stelt in de eerste plaats vast dat, naar tussen partijen niet in geschil is, [betrokkene]’s recht op WW-uitkering is ontstaan op 16 februari 2005.

2.5. Het gaat in dit geding om de vraag of de rechtbank moet worden gevolgd in het oordeel dat het Uwv toepassing gevend aan de artikelen 24, eerste lid, aanhef onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, ten onrechte heeft besloten de WW-uitkering van [betrokkene] blijvend geheel te weigeren wegens verwijtbare werkloosheid, omdat hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

2.6. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Daarbij acht hij de volgende feiten en omstandigheden van belang. Blijkens de gedingstukken heeft zich tussen [betrokkene] en zijn feitelijk leidinggevende [H.] een discussie voorgedaan omtrent een maaltijdvergoeding waarbij [betrokkene] weliswaar heeft volhard in zijn standpunt maar waarbij niet is gebleken dat [betrokkene] zich onoorbaar heeft gedragen. Evenmin is gebleken dat [betrokkene] tijdens deze discussie op enig moment door [H.] is gewaarschuwd dat hij zich moest neerleggen bij het standpunt van zijn leidinggevende, omdat hij anders zou worden weggestuurd. Voorts is niet gebleken dat [betrokkene] tijdens zijn werkzaamheden bij [naam bedrijf] ooit eerder is aangesproken op houding en/of gedrag. Ook heeft [betrokkene] nimmer gesteld dat hij niet aan de cursus wilde deelnemen indien hij geen maaltijdvergoeding zou krijgen.

2.7. De voorzieningenrechter acht verder van belang - met verwijzing naar ’s Raads uitspraak van 11 december 2002, LJN AF3222, gepubliceerd in USZ 2003/52 - dat uit de gedingstukken naar voren komt dat Manpower bekend was met het incident bij [naam bedrijf], maar desalniettemin [betrokkene] kort na het voorval opnieuw als uitzendkracht heeft ingeschreven, hetgeen er op wijst dat Manpower [betrokkene] nog steeds wilde bemiddelen. De voorzieningenrechter acht het aan [betrokkene] verweten gedrag dan ook niet verwijtbaar jegens de werkgever en [betrokkene] heeft zich niet zodanig gedragen
dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

3. Uit het vorenstaande volgt dat [betrokkene] niet verwijtbaar werkloos is geworden.
De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en [betrokkene] dient alsnog met ingang van 16 februari 2005 in aanmerking te worden gebracht voor een WW-uitkering.

4. De voorzieningenrechter ziet in het vorenoverwogene aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

5. Ten slotte acht de voorzieningenrechter termen aanwezig het Uwv te veroordelen in de proceskosten van [betrokkene] in hoger beroep welke worden begroot op € 966,-- aan kosten van rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van [betrokkene] tot een bedrag van € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 414,--.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. de Moor.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x