Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV6415
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Blijvend gehele weigering WW-uitkering op de grond dat betrokkene had nagelaten passende arbeid te aanvaarden.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/2153 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is drs. P. Crnogorac op bij het beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Rotterdam op 11 maart 2005 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. WW 04/2768, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 januari 2006, waar van partijen alleen gedaagde is verschenen, vertegenwoordigd door G.J. Samsom, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Aan de arbeidsovereenkomst van appellante en de PC Zorggroep Rijnmond is door het verstrijken van de tijd waarvoor deze was aangegaan, op 9 februari 2004 een einde gekomen. Op de aanvraag van een WW-uitkering heeft gedaagde bij besluit van 15 maart 2004 beslist dat die uitkering haar blijvend geheel werd geweigerd op de grond dat zij had nagelaten passende arbeid te aanvaarden. Haar werkgever had haar tevoren een arbeidsovereenkomst tot 0 mei 2004 aangeboden, welk aanbod appellante niet heeft aanvaard. Zij wenste een overeenkomst die zou eindigen op 20 november 2004. Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde dat standpunt bij het bestreden besluit van 12 augustus 2004 gehandhaafd. Verwezen is naar de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gemotiveerd ongegrond verklaard. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen van de aangevallen uitspraak.

Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd bevat vergeleken bij het gestelde in eerste aanleg geen nieuwe argumenten. Die argumenten zijn, als gezegd, door de rechtbank op goede gronden verworpen en behoeven derhalve geen bespreking meer.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, concludeert de Raad dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x