Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV6417
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De wekeneis zal opnieuw worden beoordeeld. Verzoek om uitspraak te doen op grond van de thans voorliggende stukken. Proceskostenvergoeding.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/1965 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2005, nr. AWB 04/1069 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 januari 2006 heeft gedaagde de Raad laten weten het bestreden besluit niet langer te handhaven en een nieuw besluit op bezwaar te zullen nemen.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. C.J.P. Liefting, advocaat te Amstelveen. Gedaagde heeft zich, zoals aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad uitgangspunt bij zijn beoordeling.

3. Met het op bezwaar genomen besluit van 9 februari 2004, het bestreden besluit, heeft gedaagde zijn besluit van 16 oktober 2003 gehandhaafd, waarbij is vastgesteld dat appellant vanaf 8 september 2003 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de WW. Gedaagde heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant in de periode van 39 weken voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag in minder dan 26 weken heeft gewerkt en derhalve niet voldoet aan het in artikel 17, aanhef en onder a, van de WW gestelde vereiste.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

5.1. Hangende hoger beroep heeft gedaagde zich bij brief van 17 januari 2006 tot de Raad gewend met de mededeling dat het bestreden besluit, gelet op de uitspraken van de Raad van 5 oktober 2005 (LJN AU5174 en AU3986) niet langer wordt gehandhaafd. Genoemde uitspraken in aanmerking genomen is in dit geding ten onrechte uitgegaan van 8 september 2003 als eerste werkloosheidsdag en dient 7 april 2003 als zodanig te worden aangemerkt. Er zal een nadere beslissing op het bezwaarschrift van appellant worden genomen, waarbij de wekeneis opnieuw zal worden beoordeeld en waarbij tevens rekening zal worden gehouden met de late aanvraag van de WW-uitkering alsmede met de gevolgen van het verblijf in Suriname gedurende zes maanden.

5.2. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant aangegeven het nieuwe besluit niet te willen afwachten en de Raad verzocht uitspraak te doen op grond van de thans voorliggende stukken.

5.3. Nu gedaagde het bestreden besluit niet langer handhaaft, komen dat besluit en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

5.4. Het voorgaande brengt mee dat gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht moet worden veroordeeld in de proceskosten van appellant, bestaande uit de kosten van rechtsbijstand, te begroten op 644,-- in eerste aanleg en 644,-- in hoger beroep, vermeerderd met de reiskosten van appellant in hoger beroep, begroot op 15,80, in totaal 1.303,80.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Draagt gedaagde op een nieuw besluit op bezwaar te nemen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 1.303,80, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 140,-- ( 37,-- en 103,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x