Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV6418
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Blijvend gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/1042 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 13 december 2004, nr. WW 04/1759, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 januari 2006, waar voor appellant is verschenen mr. P.H. van Akenborgh, advocaat te Rotterdam, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Bij besluit van 4 februari 2004 heeft gedaagde de door appellant aangevraagde WW-uitkering met ingang van 15 december 2003 blijvend geheel geweigerd, op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Dit besluit is, na daartegen gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 10 mei 2004, hierna: het bestreden besluit. Gedaagde heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant, nadat hij in juli 2003 al een laatste waarschuwing kreeg, op 20 oktober 2003 een reeks nieuwe incidenten heeft veroorzaakt, bestaande uit het te laat op het werk verschijnen, het tijdens werktijd huiswaarts keren om bedrijfskleding aan te trekken en het niet bezorgen van postpakketten.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.

Appellant heeft erkend dat hij op 20 oktober 2003 te laat op het werk is verschenen, tijdens werktijd huiswaarts is gekeerd om bedrijfskleding aan te trekken en niet alle voor die dag bestemde postpakketten heeft bezorgd. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat appellant zich door deze handelwijze jegens zijn werkgever zodanig verwijtbaar heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beŽindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. In dit verband acht de Raad van betekenis dat appellant, zoals door zijn toenmalige gemachtigde is erkend in de brief van 24 oktober 2003, in juli 2003 van zijn werkgever een laatste waarschuwing heeft gekregen en hij, gelet daarop, diende te begrijpen dat hij zich, ongeacht de aan de waarschuwing ten grondslag liggende feiten, dan wel de duur van zijn dienstverband en zijn leeftijd, geen misstappen meer kon permitteren. De omstandigheid dat de werkgever het ontslag op staande voet heeft ingetrokken en de kantonrechter op grond van het door de werkgever ingediende verzoekschrift de arbeidsovereenkomst van appellant per 15 december 2003 heeft ontbonden wegens gewichtige redenen, bestaande uit een verschil van inzicht omtrent de wijze waarop de functie van appellant ingevuld dient te worden, staat er niet aan in de weg dat gedaagde, gelet op de relevante feiten en omstandigheden, tot de in het bestreden besluit gehandhaafde opvatting komt dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. De voorhanden zijnde gegevens bieden ook naar het oordeel van de Raad voor die opvatting genoegzaam steun. Hetgeen appellant overigens nog heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een andersluidend oordeel kunnen brengen.

De Raad is tenslotte met de rechtbank van oordeel dat gedaagde er in het bestreden besluit terecht vanuit is gegaan dat niet gezegd kan worden dat appellant het niet nakomen van de verplichting om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos zou worden niet in overwegende mate kan worden verweten.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) O.C. Boute.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x