Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV6420
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzoek om herziening. Er zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De eventuele kennelijke onjuistheid van het oorspronkelijke besluit speelt op zichzelf geen beslissende rol meer bij de beoordeling van een verzoek om terug te komen van dat besluit.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/1037 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 januari 2005, nr. AWB 04/864 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door F.G.E. Houtbeckers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Met het besluit van 18 juli 2003 heeft gedaagde appellant met ingang van 1 november 2001 een uitkering ingevolge de WW toegekend. Het door appellant tegen dit besluit ingediende bezwaar, gericht tegen de hoogte van het dagloon, is wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing is onderwerp geweest van een voorlopige voorziening en een bodemprocedure bij de rechtbank. Aangezien zowel het verzoek om een voorlopige voorziening als het beroep in de bodemprocedure namens appellant is ingetrokken, staat vast dat het besluit van 18 juli 2003 rechtens onaantastbaar is geworden.

2.2. Naar aanleiding van het verzoek van appellant van 2 februari 2004 om terug te komen van het toekenningsbesluit van 18 juli 2003 en de eerste werkloosheidsdag in afwijking van de destijds genomen beslissing vast te stellen op 1 juli 2003, heeft gedaagde appellant bij besluit van 3 maart 2004 te kennen gegeven niet aan dat verzoek te kunnen voldoen. Gedaagde heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat uit de door appellant verstrekte informatie niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die gedaagde nopen om de eerste werkloosheidsdag te verschuiven en op het besluit van 18 juli 2003 terug te komen.

2.3. Bij het thans bestreden besluit van 4 juni 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 3 maart 2004 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat niet goed valt in te zien waarom appellant de bij zijn verzoek van 2 februari 2004 overgelegde gegevens niet reeds ten tijde van de voorbereiding van het besluit van 18 juli 2003 in procedure heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.

4.1. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.

4.2. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook de oorspronkelijke afwijzing tot uitgangspunt te nemen.

4.3. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat de gegevens waarop appellant zijn verzoek om herziening heeft gebaseerd, niet zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als hiervoor onder overweging 4.2. bedoeld.

4.4. Hetgeen namens appellant in hoger beroep opnieuw is aangevoerd en ter zitting nader toegelicht, heeft naar het oordeel van de Raad betrekking op de, in de ogen van appellant, onzorgvuldige totstandkoming van het besluit van 18 juli 2003. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 4 december 2003, LJN AN9805,
USZ 2004/52, speelt de eventuele kennelijke onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zich zelf geen beslissende rol meer bij de beoordeling van een verzoek om terug te komen van dat besluit.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x