Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV6429
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Korting op de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten. Causaal verband tussen het sollicitatiegedrag en het bestaan of voortduren van de werkloosheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/483 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Gravenhage op 23 december 2004, reg.nr. AWB 04/3135 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend, waarop door appellant is gereageerd bij schrijven van 27 juli 2005.

Gedaagde heeft bij brief van 8 november 2005 nog nadere stukken ingezonden, waarop appellant heeft gereageerd bij schrijven van 3 januari 2006.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 januari 2006, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer.




II. MOTIVERING


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2. Gedaagde heeft op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar tot en met 31 juli 2003 gewerkt als apothekersassistente. Met ingang van 18 augustus 2003 is aan haar een WW-uitkering toegekend, gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 26 per week. Op het werkbriefje, betrekking hebbende op de periode 1 december 2003 tot en met 28 december 2003, heeft gedaagde één concrete sollicitatieactiviteit vermeld en aangegeven dat zij in de andere weken niet heeft gesolliciteerd omdat er geen advertenties waren, rondbellen niets had opgeleverd en niets was gevonden via internet. Bij besluit van 15 januari 2004 heeft appellant de WW-uitkering van gedaagde met ingang van 29 december 2003 tot 18 april 2004 gekort met 20% wegens het niet nakomen van de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, inhoudende dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Gedaagde wordt verweten dat zij in de desbetreffende periode niet ten minste vier sollicitaties heeft verricht.

2.3. Appellant heeft bij besluit van 2 juli 2004 (hierna: het bestreden besluit) het door gedaagde tegen het besluit van 15 januari 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hij heeft daarbij aangegeven dat gedaagde in de desbetreffende periode slechts één concrete sollicitatieactiviteit heeft verricht en dat hem van andere concrete en verifieerbare sollicitatieactiviteiten niet is gebleken.

2.4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen zij in haar uitspraak heeft overwogen. Naar de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, was zij van oordeel dat uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat gedaagde niet heeft voldaan aan de voor haar geldende verplichting om voldoende concrete en verifieerbare sollicitatieactiviteiten te verrichten. De rechtbank heeft voorts overwogen dat er volgens vaste jurisprudentie van de Raad een zeker causaal verband aanwezig dient te zijn tussen het sollicitatiegedrag van de betrokken werknemer en het bestaan of voortduren van de werkloosheid in die zin dat er bij het voldoen aan de gestelde norm een meer dan louter hypothetische kans had bestaan om passende arbeid te verkrijgen. Zij is van oordeel dat, nu gedaagde heeft gesteld dat er in de desbetreffende periode niet voldoende vacatures voorhanden waren die voor haar als passende arbeid kunnen worden beschouwd, appellant daarnaar onderzoek had dienen te verrichten. Nu dat niet is gebeurd, althans daaromtrent geen gegevens zijn overgelegd, is het volgens de rechtbank onzeker of aan de voormelde causaliteitseis is voldaan, zodat het bestreden besluit wegens het ontbreken van een toereikende feitelijke grondslag niet in rechte stand kan houden.

3.1. Appellant heeft, onder verwijzing naar een aantal uitspraken van de Raad, aangevoerd dat de rechtbank de door haar vermelde causaliteitseis op een onjuiste wijze heeft toegepast. In zijn ogen was hij, gelet op de omstandigheden van het voorliggende geval, niet gehouden om aan te tonen dat aan deze eis is voldaan maar kon hij in principe uitgaan van een causaal verband tussen het sollicitatiegedrag van gedaagde en het voortbestaan van de werkloosheid.

3.2. Gedaagde heeft zich in verweer gesteld achter het oordeel van de rechtbank en uitvoerig betoogd dat zij in meer dan voldoende mate heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om te voorkomen dat zij werkloos is of blijft doordat zij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Met name heeft gedaagde aangegeven welke moeite zij zich heeft getroost om vacatures van voor haar passende arbeid, met name vacatures voor apothekersassistente, te achterhalen, teneinde weer als apothekersassistente aan de slag te kunnen gaan, hetgeen haar in de loop van 2004 is gelukt.

4.1. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en hij overweegt daartoe als volgt.

4.2. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 25 januari 2006, LJN AV1632 en LJN AV1635, is de Raad van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag of gedaagde werkloos is gebleven doordat zij in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW dient te worden bepaald of ten aanzien van gedaagde de in genoemde uitspraken geformuleerde vooronderstelling van toepassing is te achten dat mag worden aangenomen dat het verrichten van voldoende sollicitatieactiviteiten in beginsel de kans doet toenemen dat arbeid wordt verkregen en dat daarmee het werkloosheidsrisico wordt verkleind. Het is immers deze vooronderstelling die de grondslag vormt voor de ten aanzien van iedere werkloze werknemer geldende verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Met appellant is de Raad van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens geen steun bieden aan het oordeel dat gedaagde in een zo uitzonderlijke situatie verkeert dat genoemd uitgangspunt voor haar niet zou gelden. Gedaagde heeft overigens ook niet gesteld in een zo uitzonderlijke situatie als bedoeld te verkeren. Appellant mocht er derhalve, naar het oordeel van de Raad, van uitgaan dat er geen grond aanwezig was om niet van de juistheid van de hiervoor aangegeven vooronderstelling uit te gaan, zodat appellant niet was gehouden de juistheid ervan te onderbouwen.

4.3. Vervolgens is de vraag aan de orde of appellant, nu gedaagde op het desbetreffende werkbriefje heeft aangegeven niet meer dan één maal te hebben gesolliciteerd omdat zij geen andere vacatures van passende arbeid was tegengekomen, aannemelijk dient te maken dat voor gedaagde wel passende arbeid voorhanden was, bijvoorbeeld door aan te tonen dat er wel zulke vacatures voorhanden waren, dan wel dat gedaagde anderszins aan de haar opgelegde verplichting om voldoende sollicitatieactiviteiten te verrichten had kunnen voldoen. Onder verwijzing naar zijn eerder genoemde uitspraken en hetgeen in die uitspraken hieromtrent is overwogen, is de Raad van oordeel dat de stelling van gedaagde dat zij niet aan de voor haar geldende sollicitatieverplichting heeft kunnen voldoen omdat er geen passende arbeid voorhanden was, niet door gedaagde aannemelijk is gemaakt en, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, ook niet aannemelijk is te achten, zodat op appellant niet de verplichting rustte om nader onderzoek te doen naar de zich ten tijde van belang voordoende vacatures in voor gedaagde passende arbeid.

4.4. De rechtbank heeft derhalve, gelet op bovenstaande overwegingen, in de aangevallen uitspraak ten onrechte geoordeeld dat het bestreden besluit wegens het ontbreken van een toereikende feitelijke grondslag niet in rechte stand kan houden

4.5. Met betrekking tot de vraag of gedaagde terecht wordt verweten de op haar rustende verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, niet te zijn nagekomen, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat dit het geval is geweest. In hetgeen gedaagde in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het niet nakomen van die verplichting gedaagde in verminderde mate kan worden verweten.

4.6. Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in zake de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) J.P. Grauss.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x