Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV7591
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de WW-uitkering met terugwerkende kracht wegens schending van de inlichtingenverplichting. Betrokkene was niet verzekerd in de zin van de WW omdat hij niet als werknemer werkzaam was, maar als vennoot.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3853 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank ’s-Gravenhage op 25 mei 2004 onder kenmerk 03/4623 tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 29 september 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te Rijswijk, en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door M.J. Turnhout, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 2 april 2003 heeft gedaagde de met ingang van 1 februari 2002 aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met terugwerkende kracht ingetrokken, kort gezegd, omdat hij voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid niet als werknemer, maar als vennoot van [naam VOF] zou hebben gewerkt en daarover gedaagde niet heeft ingelicht. Bij besluit van 7 april 2003 heeft gedaagde de aldus onverschuldigd betaalde WW-uitkering ad € 22.758,16 van appellant teruggevorderd.

Het tegen deze besluiten gerichte bezwaar is bij het bestreden besluit van 19 september 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft daartoe onder meer overwogen dat de in het dossier aanwezige verklaringen genoegzaam aannemelijk maken dat appellant en niet zijn echtgenote als vennoot van [naam VOF] is aan te merken, ondanks de andersluidende inschrijving in het handelsregister.

De Raad onderschrijft, anders dan appellant, dit oordeel van de rechtbank en verwijst daarvoor in het bijzonder naar de verklaringen van de beide andere vennoten van [naam VOF]. De medevennoot [naam medevennoot] heeft in het tegen appellant ingestelde opsporingsonderzoek, als door de Raad samengevat, verklaard:
“Ik ben eind 1998 gestart met [naam VOF] Uitzendbureau. Het betrof een eenmanszaak. Samen met [D.] en de toen bij mij in dienst zijnde appellant ben ik overeengekomen de eenmanszaak om te zetten naar een vennootschap onder firma. De reden was dat [D.] en appellant een aandeel in de winst wilden. Aangezien appellant bij mij in loondienst werkte, wilde hij niet ingeschreven staan als vennoot. Toen ontstond het idee om zijn vrouw vennoot te maken. Belangrijke beslissingen namen [D.], appellant en ik samen.”

In dat opsporingsonderzoek heeft de medevennoot [D.], als door de Raad samengevat, verklaard:
“De echtgenote van appellant deed de afwas en zette thee. Zij was een papieren vennoot en was voor de formaliteit aanwezig. Appellant regelde samen met mij de opdrachtgevers. Indien hij er niet was geweest dan was [naam VOF] niet de helft zo groot geweest.”

Ter zitting is vanwege appellant als subsidiaire beroepsgrond aangevoerd dat hij zijn werknemerschap op grond van artikel 8, tweede lid, van de WW heeft herkregen, aangezien hij zijn werkzaamheden als zelfstandige binnen anderhalf jaar na de aanvang heeft beëindigd.

Blijkens uittreksel uit het handelsregister is de echtgenote van appellant per 1 januari 1999 als vennoot tot [naam VOF] toegetreden. Uit de hiervoor geciteerde verklaringen blijkt dat de echtgenote van appellant in zijn plaats als vennoot in het handelsregister is vermeld. Dat betekent dat de beëindiging van de werkzaamheden medio december 2001 in elk geval niet binnen anderhalf jaar heeft plaatsgevonden, zodat een beroep op het herkrijgen van het werknemerschap reeds om die reden niet slaagt.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding tot de toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Gegeven door mr. R.C. Stam in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2005.

(get.) R.C. Stam.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x