Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV8246
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Blijvend gehele weigering WW-uitkering van een ambtenaar. Met de rechtbank is de CRvB van oordeel dat de hier aan de orde zijnde omstandigheid veeleer duidt op een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de WW.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/4052 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem op 10 juni 2004, reg.nr. Awb 03-1267 en 03-1757 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. A.M. Vreeswijk, advocaat te Hilversum, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 januari 2006 waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde in persoon is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Vreeswijk voornoemd.




II. MOTIVERING


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2. Gedaagde, aangesteld als ambtenaar in vaste dienst van de gemeente Amsterdam (hierna: de werkgever) en tewerkgesteld bij de Gemeentelijke Dienst Verzekeringszaken (VGA), was laatstelijk sedert 1 januari 1994 werkzaam als [naam functie] van de afdeling Schade aan de onderafdeling Claims en Verhaal van deze dienst. Per 1 januari 1997 heeft gedaagde in gedeeltelijke waarneming de functie van hoofd van de afdeling Schade vervuld. Bij beslissing op bezwaar van 11 maart 2003 is het besluit om gedaagde per 6 december 2002 uit de gemeentedienst te ontslaan omdat hij, anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken, ongeschikt werd geacht voor de verdere vervulling van zijn functie als [naam functie] van de afdeling Schade, gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft gedaagde beroep aangetekend bij de rechtbank Amsterdam, op welk beroep uiteindelijk niet is beslist omdat in juli 2005, in het kader van mediation, tussen die partijen een oplossing tot stand is gekomen.

2.3. Gedaagde heeft op 6 december 2002 een WW-uitkering aangevraagd. Op de werkgeversverklaring heeft de werkgever onder meer aangegeven dat gedaagde een outplacementtraject is aangeboden teneinde hem te bemiddelen naar een andere baan, maar dat gedaagde dat niet wilde. In zijn brief van 10 februari 2003 aan appellant heeft gedaagde ten aanzien van het door de werkgever aangeboden outplacementtraject verklaard dat de werkgever niet in wenste te gaan op nader door hem verzochte aanvullende inkomensgaranties voor het geval hij een andere baan zou vinden met een lagere beloning.

2.4. Na gemaakt bezwaar heeft appellant bij besluit van 30 juli 2003 het besluit van 27 februari 2003 gehandhaafd, waarbij appellant zich op het standpunt stelt dat gedaagdes WW-uitkering blijvend geheel dient te worden geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Appellant neemt hierbij in aanmerking dat gedaagde het aangeboden outplacementtraject had moeten accepteren en dat hij, door dat niet te doen, zelf zijn werkloosheid heeft veroorzaakt.

3. De rechtbank heeft gedaagdes beroep tegen het bestreden besluit van 30 juli 2003 gegrond verklaard en dat besluit - onder het geven van beslissingen over de proceskosten en het griffierecht - vernietigd. De rechtbank heeft hiertoe, onder verwijzing naar artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW, overwogen dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een situatie die onder dit artikelonderdeel te brengen is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat gedaagde tegen het gegeven ontslag bezwaar en vervolgens beroep heeft ingesteld, zodat niet kan worden geoordeeld dat hij heeft ingestemd met, berust in, of meegewerkt aan, de beŽindiging van de dienstbetrekking. Naar het oordeel van de rechtbank duidt de omstandigheid dat de dienstbetrekking eerder is geŽindigd dan mogelijk was geweest, indien gedaagde het outplacement traject was in gegaan, veeleer op een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de WW. Bij een nieuw te nemen besluit zal appellant naar het oordeel van de rechtbank dienen te onderzoeken in hoeverre van gedaagde al dan niet verwacht mocht worden dat hij zonder meer akkoord zou gaan met het aanbod van de werkgever.

4. Appellant heeft uitsluitend hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank voorzover betrekking hebbende op de uitvoering van de WW. Appellant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak een te beperkte uitleg geeft aan het bepaalde in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. Appellant stelt zich allereerst op het standpunt dat het niet accepteren van het outplacementtraject impliceert dat gedaagde onnodig heeft meegewerkt aan zijn ontslag. Vervolgens heeft appellant overwogen dat, zoals ter zitting nader is toegelicht, dat de voortzetting van de aanstelling, onder de voorwaarden zoals neergelegd in het door de werkgever gedane outplacementaanbod, van gedaagde te vergen was. Gedaagde wordt in dit verband dan ook alleen verweten dat het ontslag door het niet accepteren van het outplacementaanbod voortijdig heeft plaatsgevonden. Hierbij maakt het in de visie van appellant niet uit dat de beŽindiging van de aanstelling uiteindelijk op instigatie van de werkgever heeft plaatsgevonden en dat gedaagde deze beŽindiging heeft aangevochten.
Subsidiair stelt appellant zich op het standpunt dat gedaagde verwijtbaar werkloos is geworden als omschreven in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Hiertoe verwijst appellant naar de uitspraken van de Raad van 8 oktober 2003, nr. 01/562 WW (LJN AN8508) en van 3 maart 2004, nr. 01/5262 WW (LJN AO6028), uit welke uitspraken appellant afleidt dat het onvoldoende meewerken aan herplaatsing c.q. reÔntegratie verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, oplevert.

5.1. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.

5.2. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het bestreden besluit en stelt zich achter de door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad voegt hieraan toe appellant noch te kunnen volgen in zijn standpunt dat gedaagde verwijtbaar werkloos is geworden als omschreven in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW, omdat door zijn handelwijze het ontslag is veroorzaakt noch doordat door gedaagdes handelwijze het ontslag voortijdig heeft plaatsgevonden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de hier aan de orde zijnde omstandigheid veeleer duidt op een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de WW.

5.3. Voorts kan de Raad appellant niet volgen in zijn subsidiaire standpunt dat gedaagde verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beŽindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Naar het oordeel van de Raad is hier geen sprake van de situatie dat gedaagde, door het niet accepteren van het aanbod tot outplacement, zich verwijtbaar jegens zijn werkgever heeft gedragen. Het beroep van appellant op de door hem genoemde uitspraken faalt naar het oordeel van de Raad, reeds omdat de in die uitspraken aan de orde zijnde feiten niet vergelijkbaar zijn met die welke in de onderhavige zaak aan de orde zijn.

6. Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht in verband met het vorenoverwogene termen aanwezig om appellant te veroordelen in de kosten van gedaagde in hoger beroep, welke zijn begroot op Ä 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van Ä 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van Ä 422,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) J.P. Grauss.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x