Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV8250
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Artikel 16 van de WW: beschikbaarheid om arbeid te aanvaarden.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/555 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op de bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 6 januari 2005 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 04/1255 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 februari 2006, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H. van Buren, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde - daartoe vanwege de Raad opgeroepen - in persoon is verschenen.




II. MOTIVERING


1.1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde te zijner zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2. Gedaagde is op 11 november 2002 als verkoper in dienst getreden van [naam BV]. Zijn loon is betaald tot en met februari 2003. Volgens mededeling van gedaagde heeft de directeur van [naam BV] eind februari 2003 aan gedaagde doen weten dat het bedrijf er slecht voorstond en dat hij niet meer in staat was het loon te betalen. Gedaagde heeft niettemin doorgewerkt. Op 22 maart 2003 heeft de directeur gedaagde duidelijk gemaakt de samenwerking als gevolg van de financiële situatie niet langer te willen voortzetten. Gedaagde werd niet langer in de gelegenheid gesteld te werken; evenmin ontving hij loon. De dienstbetrekking is echter niet beëindigd. Daartoe geadviseerd door het CWI heeft gedaagde in juli 2003 het faillissement van [naam BV] aangevraagd, welke aanvraag is afgewezen. [naam BV] bleek nadien zich per 21 augustus 2003 te hebben doen uitschrijven bij de Kamer van Koophandel. Appellant heeft die datum aangehouden als de datum waarop [naam BV] in blijvende betalingsonmacht verkeerde.

2.3. Omdat hij geen inkomsten had heeft gedaagde, die eerder als zelfstandig ondernemer werkzaam is geweest, zich in april 2003 doen inschrijven bij de Kamer van Koophandel teneinde, als de mogelijkheid zich voordeed, als handelsagent in mode en textiel te kunnen optreden. Gedaagde stelt dat hij daarnaast pogingen in het werk stelde om arbeid in loondienst te verkrijgen. Met het oog op beide mogelijkheden bezocht gedaagde onder meer beurzen, deed hij rondvraag bij het Confectiecentrum te Amsterdam en benaderde hij zijn netwerk.

2.4. Uiteindelijk heeft gedaagde op 17 november 2003 een WW-uitkering aangevraagd. Die aanvraag heeft appellant bij besluit van 16 december 2003 afgewezen op de grond dat gedaagde niet voldeed aan de voorwaarde voor het recht op uitkering dat hij beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. Uit de door gedaagde verschafte gegevens blijkt niet dat gedaagde eerder dan op 10 december 2003 een concrete sollicitatie heeft verricht. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 8 maart 2004 (het bestreden besluit) heeft appellant dat standpunt gehandhaafd.

2.5. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Zij was van oordeel dat appellant de beschikbaarheid van gedaagde onvoldoende heeft onderzocht.

2.6. Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank en stelt dat uit de gedingstukken voldoende blijkt dat appellant zich niet beschikbaar stelde voor arbeid. Naar ter zitting is bevestigd, stelt appellant zich daarbij op het standpunt dat de beschikbaarheid om arbeid te aanvaarden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW uitsluitend ziet op arbeid als werknemer.

3.1. De Raad zal eerst nagaan of dat standpunt juist moet worden geacht.

3.2. In zijn uitspraak van 24 april 1990, RSV 1990/224, LJN ZB2018, heeft de Raad een uitleg gegeven van het begrip “beschikbaar om arbeid te aanvaarden” bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW. De Raad heeft in die uitspraak voor de uitleg van dit begrip een aantal, niet limitatief bedoelde, uitgangspunten genoemd. Het gaat er bij de uitleg van dit begrip om, aldus evenvermelde uitspraak, dat de werknemer beschikbaar is om arbeid op de arbeidsmarkt te aanvaarden. Aan het begrip “beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden” kan geen normering worden ontleend met betrekking tot de omvang van die beschikbaarheid of met betrekking tot de plaats en de aard van die arbeid op de arbeidsmarkt. Het begrip geeft een feitelijke toestand weer waarin de werknemer verkeert. Indien er overigens geen feiten en omstandigheden vallen aan te wijzen waaruit zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat een werknemer niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden en het uitvoeringsorgaan van de WW desondanks op grond van houding en gedrag van de betrokken werknemer tot een niet beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden wenst te concluderen, zal in zo’n geval ondubbelzinnig vast moeten staan dat de betrokken werknemer door houding en gedrag duidelijk en eenduidig te kennen heeft gegeven dat hij zich niet voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar stelt, noch wil stellen.
Naar aanleiding hiervan overweegt de Raad dat de hierboven weergegeven uitleg, in die zin dat geen normering kan worden ontleend aan de aard van de arbeid, inhoudt dat het er in beginsel niet toe doet voor welke arbeid de betrokken werknemer zich beschikbaar stelt, zodat arbeid als zelfstandige als zodanig niet is uitgesloten.

3.3. De Raad wijst voorts op de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 22 december 1993, Stb. 744, waarbij, voor zover hier van belang, de zinsnede “beschikbaar om arbeid als werknemer te aanvaarden” in artikel 20, derde lid, aanhef en onder b, van de WW met ingang van 1 maart 1994 is gewijzigd in “beschikbaar is voor arbeid”. In de parlementaire geschiedenis (Tweede Kamer, voorjaar 1992-1993, 21 608, nr. 12, pag. 21) is daartoe overwogen dat daarmee wordt bereikt dat deze bepaling overeenstemt met het bepaalde in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, waardoor het verschil tussen het beschikbaarheidsvereiste in de artikelen 16 en 20 wordt opgeheven. De wetgever acht deze wijziging tevens in overeenstemming met het streven om bij wetgeving zoveel mogelijk eenduidige begrippen te hanteren.
Aan de wetsgeschiedenis ontleent de Raad voorts nog het volgende:
“De wijziging heeft voorts tot gevolg, dat degene die zich uitsluitend beschikbaar stelt voor arbeid als zelfstandige, het recht op uitkering behoudt tot aan het moment dat hij daadwerkelijk als zelfstandige aan de slag gaat. Met andere woorden, tijdens de zogenaamde voorbereidende periode (het verkennen van de mogelijkheden) kan het recht op uitkering blijven bestaan. Dit in tegenstelling tot hetgeen waar de huidige redactie van artikel 20, tweede lid, onderdeel b toe leidt. Opgemerkt wordt echter, dat het zich uitsluitend beschikbaar stellen voor arbeid als zelfstandige kan leiden tot een sanctie in het kader van de weigeringsgronden. Namelijk in die gevallen waar de bedrijfsvereniging van oordeel is, dat er sprake is van een te beperkte beschikbaarstelling voor arbeid, mede in het licht van de kansen die iemand heeft om weer in dienstbetrekking aan de slag te kunnen.”

3.4. Een en ander houdt naar het oordeel van de Raad in dat aan de woorden “beschikbaar zijn voor arbeid” in artikel 20 van de WW geen andere betekenis toekomt dan aan die in artikel 16 van de WW, zodat moet worden geconcludeerd dat onder beschikbaarheid om arbeid te aanvaarden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW niet uitsluitend kan worden verstaan de beschikbaarheid voor arbeid als werknemer.
Bij zijn uitspraak van 24 oktober 2001, kenmerk 99/1693 AW, heeft de Raad overigens reeds een gelijk oordeel gegeven betreffende de toepassing van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, waarvan de artikelen 3 en 6, voorzover hier van belang, naar aard en strekking overeenkomen met de artikelen 16 en 20 van de WW.

3.5. Deze bevindingen toepassend op het onderhavige geval, komt de Raad tot de conclusie dat appellant zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat gedaagde niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. Daarnaast is de Raad van oordeel dat op grond van het enkele feit dat gedaagde vóór 10 december 2003 geen aanwijsbare sollicitaties heeft verricht, in zijn geval, gelet op hetgeen hiervoor over de beschikbaarheid is overwogen, evenmin worden geconcludeerd dat ondubbelzinnig vast staat dat hij door houding en gedrag duidelijk en eenduidig te kennen heeft gegeven dat hij zich niet voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar stelt, noch wil stellen.

3.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de Raad, zij het op andere gronden, het oordeel van de rechtbank deelt dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak kan worden bevestigd.

3.7. Nu de Raad niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in hoger beroep, zal hij geen toepassing geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Gelast dat van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht wordt geheven van € 422,--.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Zoelen-Altunc als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) B. van Zoelen-Altunc.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x