Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AV9078
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/4423 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 27 juni 2005 onder kenmerk 04/1800 door de rechtbank Maastricht gewezen uitspraak (hierna: de aangevallen uitspraak).

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 maart 2006, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.




I
I. MOTIVERING


Bij besluit van 20 januari 2000 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 3 januari 2000 een uitkering in de zin van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

Bij besluit van 24 februari 2000 heeft gedaagde het besluit van 20 januari 2000 ingetrokken en aan appellant met ingang van 2 december 1999 een uitkering in de zin van de WW toegekend.

Bij brief van 20 augustus 2004 heeft appellant tegen het besluit van 24 februari 2000 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 oktober 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 24 februari 2000 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 oktober 2004 ongegrond verklaard en daarbij geoordeeld dat hetgeen door appellant is aangevoerd geen reden is de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt. Ingevolge artikel 6:8 van de Awb vangt die termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

De termijn is derhalve aangevangen op 25 februari 2000 en geŽindigd op 6 april 2000. Hieruit volgt dat het bezwaar van appellant van 20 augustus 2004 na afloop van de termijn is ingediend.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Volgens vaste jurisprudentie van deze Raad dienen onbekendheid met de regelgeving, de geringe ervaring van appellant in deze materie en het handelen en/of nalaten van de door appellant ingeschakelde rechtshulpverleners voor zijn risico te blijven.

De rechtbank is derhalve tot een juist oordeel gekomen, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van mr. M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x